Zonno – 08

HOOFDSTUK 8

De politie had de ontvoerders ingerekend, en uitgele­verd aan Amerika. Daarna gingen ze onderzoeken hoe en wie, dit moeilijke geval opgelost hadden. Van de scheidsrechter hoorden ze het hele verslag, van de aanval op de boer­de­rij. Grandioos vond de politie, dat twee nog zulke jonge men­sen, zo’n moed hadden. En dat ze het zo geweldig georgani­seerd hadden. De commissaris had gezegd: “Dat hadden mijn mannen niet beter gedaan.” De schoten die zonder kogels werden afgevuurd, maar toch hetzelfde geluid maakten, kon nie­mand een verklaring voor vinden. “Maar daar komen we nog wel achter,” had de commissaris gezegd. “Ik denk,” had hij gezegd, “dat ze het met een geluidsband of cassette, (of hoe ze die dingen ook mogen noemen) hebben gedaan. Die kin­de­ren van tegenwoordig, hebben daar meer verstand van dan wij,” was zijn conclusie. Tegen zijn mannen had hij gezegd: “Het allereerste wat wij moeten doen, is de verblijfplaats van

de jongen en het meisje opsporen.” Zo gebeurde het dat op een dag, de telefoon ging bij Josje en Tim. En dat aan de andere kant van de lijn klonk: “U spreekt met de commissaris van politie.” Josje, die de telefoon aangenomen had, vroeg verschrikt: “Er is toch niets met mijn Moeder gebeurd. ” De commissaris zei geruststellend: “Er is niets aan de hand jongedame. Dat ik je bel heeft een andere reden. Ik wil graag een gesprek met jullie hebben. Vanwege dat geval van het ontvoerde meisje.” Josje was opgelucht toen ze dat hoorde, maar een gesprek met de politie, dat was nogal iets. Dat zou ze eerst met Zonno en Tim moeten overleggen.

“Meneer de commissaris,” zei ze. “Ik zou graag willen weten, waarover U met ons wil spreken.” “Dat is niet zo eenvoudig per telefoon,” antwoordde de commissaris. “Ik heb liever dat jullie samen naar het buro komen.” “Vindt U het goed dat ik het eerst met mijn broer bespreek?” vroeg Josje. “Dat spreekt vanzelf,” antwoordde de commissaris. “Maar wil je me dan zo snel mogelijk terugbellen, om me te laten weten wat jullie besloten hebben.” “Dat is afgesproken,” zei Josje.

Het was nog vroeg in de morgen. Tim was nog op zijn kamer en Zonno lag nog heerlijk onder de punt van Josjes kussen alles nog eens te overdenken. Opgewonden stormde Josje Tim’s kamer binnen. Stoof op het bed af en schudde hem aan de schouder en riep: “Wakker worden Tim.” Tim sloeg zijn ogen op en vroeg: “Is er brand?” Josje negeerde zijn vraag en zei opgewonden: “Ik ben net gebeld door de commissaris van politie. Ze willen een gesprek met ons hebben, omdat we het geval van Geertje hebben opgelost.” Tim zei slape­rig: “Een gesprek met de politie.” Hij wreef zijn ogen uit en zei geeuwend: “En moet je me daar midden in de nacht voor wakker maken.” “Luilak,” zei Josje. “Voor jou is het midden in de nacht. Voor een normaal mens is het acht uur in de morgen.” “Rustig maar Opoe,” zei Tim. “Ga jij maar alvast naar beneden, zet een lekkere pot thee, maak Zonno wakker, in vijf minuten ben ik dan helemaal tot je be­schik­king.” Josje wist uit ervaring dat ze maar beter kon doen wat Tim zei, omdat hij nu nog niet aanspreek­baar was. Eerst ging ze naar haar kamer, en liep naar het bed, tilde de punt van haar kussen op, en keek vertederd naar Zonno, die nog lekker lag te slapen. Zonde om hem wakker te maken, dacht ze. Heel voorzich­tig aaide ze hem over zijn bolletje en fluister­de: “Wakker worden Zonnie.” Hij was meteen wakker. Hij keek Josje verwon­derd aan. Hij rekte zich uit en vroeg: “Wat is er Jos, waarom maak je me wakker? Dat heb je tot nu toe nog nooit gedaan.” “Maar,” ging hij verder, “je hebt er vast een goede reden voor.” “Dat heb je goed,” zei Josje. “Tim heb ik ook wakker gemaakt. Ik ga nu naar beneden, een pot thee zetten. Kom je dan zo vlug mogelijk naar beneden?” vroeg ze. “Ik ben er al haast,” antwoordde Zonno guitig. Als van ouds, Zonno en de grote pot op tafel, zaten ze bij elkaar. Josje had in de gauwigheid, ook wat beschuiten klaar gemaakt. Tim nam als eerste het woord: “Ik denk,” zei hij, “dat schieten, daar zitten ze mee in de maag. We mogen natuurlijk geen vuurwapens hebben. Want hoe verklaren we, dat het wel klonk als schieten, maar dat het gewoon speelgoedpistooltjes waren.”

“Geen idee. Daar kunnen we nooit een zinnig antwoord op ge­ven,” zei Josje. “Zonno zou jij daar iets op weten?” vroeg ze. “Dat wordt een moeilijke kwestie,” zei Zonno. “We zullen het maar even op zijn beloop laten. Misschien valt ons nog wel iets in,” besloot hij. “Maar wat doen we nu,” vroeg Josje, “laten we dat gesprek doorgaan of niet.” “Ik vind het wel raar,” ging ze verder, “om te zeggen dat we daar niets voor voelen.” “Als ik jullie was,” onderbrak Zonno haar, “zou ik het doen. Want net zoals Jos al zei, het is vreemd als jullie weigeren.” “Ik geef me gewonnen,” zei Tim. “Hoe denk jij er over Jos?” vroeg hij. “Om eer­lijk te zijn,” antwoordde Josje, “zie ik er verschrikke­lijk tegen op. Hoofdzakelijk omdat we geen verklaring hebben voor de schieterij. Als ze daar over beginnen, en dat geloof ik vast, dan weet ik me geen houding te geven. Dat weet ik nu al.” “Je hebt nog geen antwoord gegeven op mijn vraag,” zei Tim. Toch nog aarzelend, gaf Josje toe. “Goed, laten we het maar doen,” zei ze, “we zien wel wat er van komt.” Dezelfde dag nog belde Josje de commissaris. Ze spraken af dat Tim en zij, de andere dag om elf uur op het buro zouden zijn. “Ik ben blij meisje,” had de commissaris gezegd, “dat jullie dit besluit hebben genomen.” Josje was een klein beetje gerust gesteld, omdat hij zo’n vriende­lij­ke stem had. Maar ze dacht, ik zal toch blij zijn als we het achter de rug hebben. “Maar nu weg met de         commissaris,” zei Tim. “Wat zullen we vandaag gaan doen, dat onderwerp is nu aan de orde,” besloot hij. Josje opende haar mond om iets te zeggen maar sloot hem weer, omdat juist op dit moment de telefoon rinkel­de. Josje pakte de hoorn op. “Met Josje Mulder,” zei ze. “Met mij Jos,” hoorde ze de stem van haar Moeder zeggen. “Hallo mam,” zei Josje, “alles goed bij jullie?” Haar Moeder antwoordde bevestigend. “Waar ik voor bel,” zei ze, “is of jullie hierheen kunnen komen. Ik moet hoognodig naar de kapper. Oma wil best alleen blijven, maar ik heb liever dat er iemand bij haar is.” “Natuurlijk, dat begrijp ik,” zei Josje. “Het is ook helemaal niet nodig,

wij zijn er toch.

Ongeveer over een uur zijn we bij U,” beloofde ze. Tim en Zonno hadden alleen de woorden van Josje gehoord. Daarom vroeg Tim bezorgd: “Er is toch niets aan de hand Jos?” Josje vertel­de wat haar Moeder gezegd had. “Waar wachten we dan nog op,” zei Tim. Na een paar minuten waren ze al op weg naar Oma. Zonno mocht op het stuur zitten. “Maar”, had Tim gezegd, “je moet wel achter de bel gaan zitten. Als we op de grote weg zijn kun je erachter vandaan komen. Daar gaat alles zo snel, dan val je niet op. Als je heel stil zit zou het in de stad ook wel kunnen, denk ik.” “Want dan lijkt het net of je een popje bent,” voegde hij er nog aan toe. Ze waren bijna bij Den Haag, toen er uit de struiken aan de rechter­kant van de weg, een haasje kwam. Het wou de weg overste­ken. De auto die voor hen reed, kon onmoge­lijk voorkomen dat het beestje onder de wielen kwam. Josje gaf een gil. Maar voordat de auto het haasje kon raken, ging het beestje de hoogte in. Zweefde over de weg, en kwam aan de overkant behouden neer. In de auto zei de man tegen zijn vrouw, die naast hem zat: “Dat heb ik nog nooit gezien, een haas die kan vliegen.” Tim zei tegen Zonno: “Dat is zeker jou werk. Goed gedaan Zonno.” “Ach, het zijn de kleine dingen die het doen,” zei Zonno bescheiden. Voordat ze Den Haag binnen reden stopte Tim, zodat Josje Zonno weer in het tasje kon doen. “Wat was het lekker om op het stuur te zitten,” zei hij. “Dat geloof ik best,” zei Josje. “Maar in de stad zullen we het nog maar niet doen.” “Ik ben al tevreden dat ik de hele weg op het stuur kon zitten,” zei Zonno. En hij liet zich zonder te morren in het tasje stoppen. Bij Oma werden ze hartelijk verwel­komt. Hun Moeder zat voor het raam naar hen uit te kijken. Toen ze bij het huis van Oma kwamen, stond Moeder in het deurgat al te wachten. Ze omhelsde ze één voor één en zei: “Wat ben ik blij dat ik jullie weer gezond terug zie.” “Kom maar gauw bin­nen,” ver­volgde ze, “Oma zit ook met smart op jullie te wach­ten.” Ze stapten de kamer binnen. Oma zat in haar stoel, met haar benen op een bankje, zoals de dokter het voorgeschreven had. Josje vloog op haar toe en kuste haar.

Tim stond er wat verlegen bij. Oma pakte zijn hand, en trok hem naar zich toe. “Jij vindt jezelf er te oud voor he?” zei ze. “Ik moet je tot mijn spijt daar gelijk in geven,” beant­woordde Oma zelf haar vraag. “Maar een kusje op mijn voor­hoofd­ kan er toch nog wel van af Tim?” vroeg ze. Tim bukte zich en gaf haar een klinkende zoen op haar wang. “Als jullie einde­lijk klaar zijn met dat gezoen,” zei Moeder, “kan ik nog even wat zeggen voor ik ga.” Oma lacht­te. “Je hebt gelijk,” zei ze, en tegen Josje en Tim: “Jullie Moeder heeft een af­spraak met de kapper. Ze moet daar op tijd zijn.” Tegen haar dochter zei ze: “Lies, zeg je zegje, we zijn één en al oor.” “Jos,” zei Moeder, “de thee staat onder de muts. De aardap­pe­len zijn geschild. De groente is schoon, en het vlees is gaar. Oma zal wel zeggen hoe laat je met koken kan beginnen. Ben ik niet op tijd thuis, dan hoeven jullie niet op mij te wachten,” be­sloot ze. “Ga nu maar,” zei Oma, “straks kom je nog te laat.” Toen ze de deur achter Moeder dicht hoorde slaan, zei Oma tegen Josje: “Schenk eerst maar thee in kind.” Josje deed dat maar al te graag. Want na de reis die ze gemaakt hadden, snakte ze naar een kop thee. Oma nam een slokje van de thee, keek Josje en Tim aan en zei: “En nu voor de dag met jullie geheim. Nadat ik jullie brief ontvangen had, was ik razend van nieuwsgierigheid. Ik moet eerlijk zeggen, jullie kunnen een oud mens goed op stang jagen. Jullie schreven dat je iets mee gemaakt hebt, wat ik mis­schien niet zou geloven.” “Daar was ik dan mooi klaar mee,” ging ze verder. “Waarom schreven jullie niet gewoon waar het eigenlijk om gaat?” vroeg ze. Tim nam het woord. “Oma,”zei hij, “wat we U willen vertellen, konden we echt niet schrij­ven. We wilden U alvast voorberei­den, that’s all.” “Kom,” zei Oma, “niet te langdradig. Ik sta op springen.” Tim vertelde het hele verhaal. Vaak werd hij onderbroken door Josje, die er dan steeds iets aan toe­voeg­de. Het gezicht van Oma sprak boek­delen. Verbazing en soms onge­loof wisselden elkaar af. Maar ze liet ze rustig uitspreken. Nadat ze alles verteld had­den, zei ze kalm: “Schenk nog eens in Jos.” Josje deed wat Oma zei. Oma nam het kopje in haar hand.

Voor ze een slokje nam, vroeg ze: “Jullie hebben Zonno toch wel mee gebracht, hoop ik.” “Dus U gelooft ons Oma,” zei Josje blij. “Waarom zou ik jullie niet geloven,” zei Oma. “Er is meer tussen hemel en aarde dan wij weten. Jullie hebben daar nu iets van mee mogen maken.” “Maar ik heb nog geen antwoord op mijn vraag gehad,” besloot ze. Dat was ook niet meer nodig. Zonno die in het tasje het gesprek gevolgd had, knipte met zijn vingers, en verplaatste zich naar de schoot van Oma. Als het iemand anders overkomen was, zou die misschien wel een gil van schrik gegeven hebben. Maar de Oma van Josje en Tim, verblikte of ver­bloosde niet. Die zei gewoon: “Dus jij bent Zonno.” Zonno vond het prachtig dat het oude mens zo reageerde. Hij zei: “Ja, in hoogst eigen per­soon.” Oma glunderde. “Dat ik dat nog op mijn oude dag mee mag maken,” zei ze. “En ik ben blij dat ik U mag leren ken­nen,” zei Zonno. “Ik als druppel, heb van de ouwe wolk ge­leerd, dat oude mensen een zekere wijsheid hebben, die je alleen op kan doen uit ervaring.” “Daar heeft Zonno gelijk in,” kwam Josje er tussen. “Ik heb vaak gesprekken met Oma gehad waar ik veel van geleerd heb.” “Daar ben ik blij om,” zei Oma. “Oma U bent al zo oud, bent U niet bang om dood te gaan?” vroeg Josje. Tim en Zonno keken elkaar verschrikt aan. Wie vraagt er nou ze iets, stond er op hun gezicht te lezen. Maar Oma gaf onverstoord antwoord: “Bang dat ik doodga Josje. Dat is een moeilijke vraag meisje. Echt bang kan ik niet zeggen. Maar ik wil natuurlijk niet dood. Ik zou voor altijd bij jullie willen blijven. Maar mijn ver­stand zegt dat dat niet kan. Iedereen gaat dood kind. Dat is nu eenmaal het levens­beloop, daar kan je helemaal niets aan doen. Dood­gaan is net zo normaal als geboren worden. Maar je wil er niet aan, ik ook niet hoor! Je moet je er toch bij neer­leggen, het is niet anders.” “Oma denkt er gemakkelijk over,” zei Josje. “Dat lijkt maar zo,” zei Oma, “het leven leert je dingen. Daar hebben we het zojuist over gehad. Ik heb als kind meegemaakt dat er een meisje uit mijn klas overleed. Dat heeft een diepe indruk op me ge­maakt.

Ik zat in de hoogste klas van de lagere school. Het was de eerste schooldag na de grote vakantie. Voor we aan de eerste les begonnen, vroeg de meester of we stil wilden zijn. Met tranen in zijn stem zei hij: “Met grote droef­heid moet ik jullie mededelen, dat we nu met één kind minder in de klas zijn.” Hij vervolgde: “Jansje is over­leden.” “Ik bedoel er­mee,” zei Oma, “dat op mijn leeftijd er aan de ene kant de wens is, om nog vele jaren op de wereld te mogen zijn. Aan de andere kant ben ik dankbaar dat ik zoveel jaren meer heb gehad, dan bijvoorbeeld Jansje. Ik heb kinderen, kleinkin­deren en zelfs achterkleinkinderen. “Maar” zei Oma, “het ge­sprek wordt wel wat triest. Laten we een vrolijker onderwerp kiezen.” Ze wreef met een zakdoek over haar ogen. “Zonno” vroeg ze, “vertel jij eens iets leuks, of laat mij eens iets zien van je tover­kunsten.” “Ik zou zo gauw niet weten wat ik moet doen,” zei Zonno. “Maar misschien interesseert U zich voor een gesprek tussen een spin en een vlieg.” “Kijk,” zei hij, en hij wees met zijn vinger­tje naar de grote spiegel die boven de schoorsteen­mantel hing, “de vlieg zit aan de bovenkant in de rechter­hoek. Het spinneweb zit er niet ver vandaan, ziet U wel?” vroeg hij. Oma keek naar de spiegel. “Warem­pel,”zei ze. “Je hebt gelijk.” “Het is nog een kanjer van een spin ook,” voegde ze er aan toe. “Die boft dat hij nog niet door jullie Moeder ontdekt is,” zei ze tegen Josje en Tim. “An­ders was hij er al lang geweest.” Ze wendde zich tot Zonno. “Of het me intresseert vroeg je. Ik vind het gewel­dig interessant na­tuur­lijk.” “Dan doen we dat,” zei Zonno, “maar dan moeten jullie wel stil zijn, anders kan ik ze niet ver­staan, want ze praten heel zachtjes.” “Straks vertaal ik het dan voor jul­lie,” besloot hij. Als op com­mando, deden ze alle drie hun lippen op elkaar, en bleven muisstil zitten wachtten. Terwijl Zonno zat te luisteren, volgde het drietal met de ogen, het doen en laten van de spin en de vlieg. De spin maakte af en toe wat nerveuze bewegin­gen. Soms liet hij zich een klein eindje zakken aan een draadje, om dan ra­zend­snel weer langs hetzelfde draad­je naar boven te klim­men.

Dan klom hij weer een stukje omhoog in zijn web, en bleef daar stil zitten. De vlieg trippelde wat heen en weer. Vloog naar de lamp. Kwam terug en ging weer op een hoek van de spiegel zitten, niet ver van de spin vandaan. Oma dacht, dat die twee nu aan het praten zijn met elkaar. Ik krijg daardoor een heel andere kijk op die beestjes. Ze zijn toch ook maar op de wereld gezet. Ze hebben er net als wij, niet om ge­vraagd. Josje’s gedachten gingen een andere richting uit. ’t Is net of de vlieg zich mooi zit te maken, dacht ze. Het is vast een vrouwtje. Moet je zien hoe ze met haar pootjes over haar neusje en haar oogjes wrijft. En dat draaien met haar kontje, dat doet ze ook niet voor niets. De spin, dat is een mannetje. Dat kan je zo zien. Misschien zijn ze wel verliefd op elkaar, mijmer­de ze. Tim zijn gedach­ten waren kort maar krachtig. Dat duurt niet lang of de vlieg zit in het web. Dan zit het weer snor met het middagmaal van de spin, dacht hij. Ze schrokken op uit hun gedachten, door­dat Zonno zei: “Ik ben blij dat ik alle talen kan verstaan. Ik vond het een leerzaam gesprek. Ik heb niet echt afgeluis­terd. Ik heb me aan hen voorgesteld, en er toestemming voor gevraagd. Ik moet zeggen dat het heel innemen­de insecten zijn. Ze stemden meteen toe.” “Ik ben zo nieuwsgie­rig,” zei Oma. “Wat een vlieg en een spin elkaar te zeggen hebben. In de natuur zijn het toch eigen­lijk vijanden van elkaar.” “Er is niet zo’n groot verschil tussen gesprekken van mensen en dieren als U misschien denkt,” zei Zonno. “Ik moet wel zeggen, dat het onderwerp waar ze het over hadden al aan de gang was, toen ik er bij kwam,” zei Zonno. “De vlieg zei: “Mijn hele familie is door jullie uitgeroeid.” Waarop de spin antwoordde: “Je zegt jullie. Sinds ik volwassen ben, heb ik er nooit meer aan mee gedaan.” “Toen ik nog maar een kind was,” ging hij ver­der, “wist ik niet beter. Mijn ouders hebben mij geleerd een web te maken. Wat ik nog steeds een fijn werk vind. Ik probeer er altijd een kunstwerk van te maken. Maar om het te gebruiken waar het eigenlijk voor bestemd is, nee dat ligt niet in mijn lijn.

Als kind liepen me de rillingen over de rug, als ik weer zo’n spartelende vlieg zag, die in het net van mijn ouders ver­strikt was geraakt. Mijn Vader moest lachen als ik er niet van wou eten. “Die fratsen gaan later wel over,” zei hij. “En straks als je honger krijgt dan eet je haar wel.” “Tot mijn schande moet ik bekennen,” zei de spin, “dat mijn Vader daar gelijk in had.” “Toen onderbrak de vlieg hem” zei Zonno. “Allemaal goed en wel. Ik moet toe geven” zei ze, “zo’n web is heel mooi, vooral ’s morgens vroeg. Als er dauwdruppels in hangen, en de zon schijnt erop. Maar dat is juist zo verra­derlijk voor ons,” zei ze. “Wij worden er door aangetrokken en voor we het weten zitten we in de val.” “Niet in mijn web,” zei de spin. “Mijn web kleeft niet, daar blijf je niet in vast zitten. De kleef­stof die ik er aan toe moet voegen, gebruik ik niet.” “Ik zal het er toch maar niet op wagen,” zei de vlieg. “Als je me langer kent dan vandaag,” zei de spin, “dan ga je daar wel anders over denken.” “Toen kreeg ik gelegenheid” zei Zonno, “om ook iets te zeggen. Wat de spin zegt moeten we geloven,” zei ik. “Maar ik begrijp ook de vlieg. Zoals ze zegt, is haar hele familie uitge­roeid door spinnen. “Jij,” zei ik tegen de spin, “bent tot de conclusie gekomen, dat het eigenlijk moord met voorbedachte rade is. En hebt misschien daardoor je levensstijl veranderd.” “Dat is wel erg sterk uitgedrukt,” zei de spin. “Zonno heeft daar volko­men gelijk in,” viel de vlieg hem in de rede. “Je moet niet vergeten,” verdedigde de spin zich, “dat ook wij, moeten eten om in leven te blijven. En dat kunnen we alleen maar door het eten van insekten.” “Of liever ge­zegd,” verbe­terde hij, “door de inhoud van insekten.” “Waar leef jij dan van?” vroeg de vlieg wan­trouwig. “Ik zoek altijd naar dode insec­ten,” zei de spin. “Het is niet de natuur­lijke weg. Maar geestelijk voel ik me er beter bij. Van mijn ouders heb ik geleerd, als het insekt in het web gevangen zat, er een vloeistof in te spuiten. Dan krijg je een verterings­proces. Ik moet toegeven, dat het daarna voor een spin een lekker hapje is,” zei hij be­schaamd.

“Jasses,” zei Josje. “Wat een viespeuk.” “Dat zie je ver­keerd,” zei Oma, “wat bij dieren, en daar bedoel ik in dit geval ook insekten mee, heel gewoon is lijkt voor ons wreed. En zoals jij net zei, soms ook vies. Maar wij eten ook iedere dag een stukje vlees. Ik bedoel natuurlijk niet dat dat vies is. Het is zelfs heel lekker voor iemand die het graag lust. Maar dat is voor sommige mensen juist een reden om geen vlees te eten,” zei Oma. “Wij eten het omdat we het lekker vinden. Bij een dier ligt dat anders, die eten om in leven te blij­ven. Dus doden ze alleen uit be­hoefte.” “Was het gesprek daarmee afgelopen?” kwam Tim er tussen. “Bijna,” antwoordde Zonno. “De spin zei tot zijn verdedi­ging ook nog, dat hij ook van zijn ouders geleerd had, dat vliegen onnut­tige insekten waren.” “En de vlieg?” vroeg Tim. “Wat kon die daar tegenin brengen?  Wij vinden dat toch ook,” oordeel­de hij. “Ik vond het verweer van de vlieg zeer aannemelijk klinken,” zei Zonno. “Ze zei: “Ik weet dat de mening daarover onverdeeld is. Iedereen denkt zo over ons. Maar het kan er bij mij niet in, dat we zomaar voor niets op de wereld zijn. Als ik me ongelukkig voelde omdat ik een vlieg was, zei mijn Vader: “Je bent een lief en goed vliegje. En geloof mij maar kind, (dan streek hij mij over mijn vleugel­tjes) dat alles wat er aan leven op de wereld is, een doel heeft.” “En dat geloof ik vast,” zei de vlieg. “Er komt misschien de dag, dat jullie anders over ons denken,” zei ze pittig. “Je hebt gelijk Zonno, voor dat betoog neem ik mijn petje af,” zei Tim. “Dat dacht ik ook,” zei Oma. Josje voegde er nog aan toe: “Als je dat zo hoort, ga je toch heel anders over de dingen denken.” “Je kunt nu aan het eten beginnen,” zei Oma tegen Josje. “Ik voel nu pas dat ik honger heb,” zei Tim. “Kijk nou is.” Hij wees naar het spinneweb. Ze keken omhoog, en met verbazing zagen ze de vlieg in het web zitten. Dicht bij de spin. En waar­achtig, daar vloog ze naar de lamp, en meteen weer terug.

Dat deed ze wel tien keer. Je kon zien dat ze er plezier

in had. Oma zuchtte. En uit de grond van haar hart zei ze: “Wat doet me dat goed.”
Na een lange en gezellige avond, die ze doorbrachten met allerlei spelletjes, waren ze weer thuis. Moeder had ge­vraagd of ze bleven slapen. Josje dacht aan het gesprek met de com­missaris. Ze zei: “Ik ga liever naar huis Mam. Ik heb nog zo veel te doen.” Moeder was het daar niet mee eens. “Daar heb je morgenmiddag ook de tijd voor.”zei ze. Oma hielp een handje. Ze gaf Josje een knipoogje en zei: “Dat ben ik niet met je eens Lies. Josje is nu in jouw plaats de huisvrouw. En zij beslist.” Daar kon Moeder niets tegen inbrengen. Thuis­gekomen zei Josje: “Wat heb ik een fijne dag gehad.” “Ik ook,”zei Zonno. “Tot je Moeder thuiskwam. Toen was het voor mij weer tasjeswerk.” “Ik vind het ook jammer dat je weer in het tasje moest. Maar het kan nu eenmaal niet anders.” zei Josje.

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001
A. Goedegebuur – Klarenbeek 1919 – ✞30-08-2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wij gebruiken eigenlijk geen koekjes van je, maar mocht een toepassing die wij gebruiken dat toch doen, dan zullen wij het niet gebruiken of opslaan.