Zonno – 11

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001

HOOFDSTUK 11

Ze hadden besloten, om naar het adres van het achttienjarige meisje te gaan. Wat op de dag van de over­val geld had gestort op de bank. “Dat is een klus voor jou Jos,” zei Tim. “Je ge­bruikt dezelfde smoes om binnen te komen. Je weet wel, over dat stukje in de schoolkrant.” “Wat moet ik dan allemaal vragen,” zei Josje. “Uuh ja,” zei Tim. “Dat moet je zelf maar beden­ken.” “Dat vind ik zo moei­lijk,” zei Josje. “Je maakt gewoon een begin,” zei Zonno. “Vraag bijvoorbeeld, hoe lang ze er al woont. Of ze vrien­den of vriendinnen heeft. Je zal zien de rest komt van­zelf.” “Ik help het hopen,” zei Josje. “Doe niet zo lullig zus,” zei Tim. “Dat is je best toever­trouwd.” Half elf belde Josje aan op Vondellaan 25. Er werd openge­daan door een vrouw van middelbare leeftijd, die er niet onvrien­delijk uitzag. “Zoekt U een kamer?” vroeg ze. Josje vertelde het verhaal over de schoolkrant. De vrouw keek Josje aan. “Voor de school­krant zei je?” vroeg ze. Josje knikte. “Dat vind ik leuk. Mijn kleinzoon is redacteur van zijn school­krant. Hij heeft er altijd de mond van vol. Kom maar gauw binnen kind. Ik heb net de koffie klaar. Je krijgt van mij een lekker bakkie. En je mag vragen zoveel je wilt.” Aardig mens, dacht Josje. Maar ik had liever thee gehad. De vrouw liep de gang in, naar de keuken. Josje volgde haar. “Ga maar zitten meid,” zei de vrouw. En ze wees naar een stoel die bij de tafel stond. De poes die er op lag, joeg zij er af. De vrouw schonk koffie in, daarbij steeds druk pratend. “Ik kook altijd gewoon volle melk voor in de koffie,” zei ze. “Die kouwe melk erin, dat hoeft voor mij niet. En jij krijgt van mij het lekkere vel,” zei ze. Ze praatte maar door. “Je hebt natuur­lijk nog nooit zo’n lekker vel op je koffie ge­had,” zei ze.

“Kennen ze niet meer tegenwoordig.” Ze schoof het kopje koffie naar Josje. “Proef maar is,” zei ze. De vrouw bleef haar vol verwachting aankijken. Josje nam een slokje. Toen er een stukje van het vel mee kwam, liepen de rillingen haar over de rug. “En,” zei de vrouw. Josje wou het mens niet teleurstel­len. “Heerlijk,” zei ze. “Dat dacht ik al,” zei de vrouw. Ze nam ook genietend een slokje van haar koffie. “Lekker,” zei ze. “Maar ik mis me’n velletje.” Ze zette haar kopje terug op het schoteltje, en zei: “Gossie, nou ben ik helemaal vergeten waarvoor je eigenlijk hier bent.” “Voor de schoolkrant me­vrouw,” zei Josje. “Natuur­lijk,” zei ze. “Voor de schoolkrant. Wat wou je van me weten kind.” “Ik heb U al gezegd,” zei Josje. “Dat het gaat over een bankoverval.” De vrouw knikte. “Een meisje van achttien jaar, wat hier een kamer heeft, was die dag op de bank om geld te storten.” “Dat klopt,” zei de vrouw. “Dat is Selma.” “Daar wou ik graag een paar vragen over stel­len.” zei Josje. “Als ik er antwoord op heb, zal ik je dat graag geven.” zei de vrouw. “Woont het meisje al lang hier? vroeg Josje. “Vier weken geleden heeft ze hier haar intrek genomen.” “Heeft ze ook vrienden of vriendinnen?” vroeg Josje. “Daar kan ik je geen antwoord op geven,” zei de vrouw. “Hier ontvangt ze in ieder geval nie­mand. Ze gaat wel twee keer in de week een avond uit. De ene avond naar de bioscoop, de andere avond heeft ze typeles, heeft ze me verteld.” “Waar woonde ze voor ze hier kwam?” vroeg Josje. “Bij haar ouders,” zei de vrouw. “Die wonen in Den Haag. Die bellen ook vaak naar me, hoe of het met haar gaat. Ze hebben me ook gevraagd, een oogje in het zeil te houden. Selma weet hier niets van. Dat vonden haar ouders beter.” “Heeft ze U over de overval ver­teld,?” vroeg Josje. “Ze heeft wel gezegd,” antwoordde de vrouw. “Dat ze zo’n bewon­dering had voor het meisje wat be­dreigd werd. En dat ze zelf zo ge­schrokken was. Maar ik heb haar pas een paar dagen na de overval gesproken. Dus ik had alles al in de krant gelezen.” “Weet U ook waar ze werkt?” vroeg Josje. “In het bejaardenhuis aan de Maurits­weg,” ant­woord­de de vrouw.

“Zou ik het adres van haar ouders van U mogen hebben,” vroeg Josje. “Waarom niet,” zei de vrouw. “Ze wonen aan de Valken­bos kade 131”, zei ze. Josje stond op, en gaf de vrouw een hand. “Ik ben heel blij met U kennis gemaakt te hebben. En ik heb genoeg van U gehoord, voor mijn stukje in de krant.” “Daar ben ik blij om,” zei de vrouw. “Ik moet er vandoor,” zei Josje. Ze wou de vrouw een hand geven, om afscheid te nemen. “Blijf nog even zitten,” zei ze. “Dan schenk ik je nog eens in.” Ze pakte de koffiepot en schonk het kopje van Josje nog eens vol. “Suiker mag je zelf nemen kind,” zei ze. “Maar de melk doe ik er in. Dat is me wel toevertrouwd. Het velle­tje houd ik even achter. Als er genoeg melk in zit, dan komt pas het vel. En dat is vandaag voor jou,” besloot ze. Josje kokhalsde toen ze de koffie opdronk. Maar ze liet het niet merken. Dat vond ze zielig voor het mens. Toen de vrouw haar uitliet zei ze: “Als je in de buurt bent, kom je maar gerust langs voor een kopje koffie.” “Dat is heel vriende­lijk van U,” zei Josje. Ik zal er zeker geen gebruik van maken, dacht ze. Onderweg naar huis, kocht ze bij een banket­bakker een zak koekjes. Ze betaalde, en liet de zak koekjes nonchalant in haar tas vallen. “Au,” riep Zonno. De zak was bovenop  hem terecht gekomen. De vrouw keek Josje bevreemd aan. Josje wees naar de vrouw. “Blauw,” zei ze. “Uw bloesje is blauw.” “Heb je daar al lang last van?” vroeg de vrouw. “Waarvan ?” vroeg Josje onschuldig. “Van kleuren­blind­heid. Het bloesje is groen,” zei de vrouw snibbig. Thuis gekomen legde ze de zak koekjes op de tafel in de huiskamer. Pakte Zonno uit het tasje en gaf hem een kusje. “Sorry,” zei ze. “Ik dacht dat je in het tasje een balletje van jezelf maakte. Dan kun je, je toch hard maken. Dan ben je bijna gevoelloos, dat heb je zelf verteld.” “Als ik geweten had, dat je zo’n lading koekjes zou droppen, dan had ik dat zeker gedaan. Maar je hebt het weer goed gemaakt met je kusje”,zei hij lachend. Ik ga thee zet­ten,” zei Josje. “Ga jij even kijken of Tim boven is. Vraag hem dan of hij naar beneden komt.”

Weldra zaten ze aan de thee, en vertelde Josje wat ze te weten gekomen was. Toen ze vertelde van de koffie met het vel, rilde ze nog van afschuw. “Ik had je gezicht wel eens willen zien, toen je die koffie opdronk,” zei Tim. “Dat was een pokerface, daar was niets aan te zien,” zei Josje. “Ik zal eerst het gesprek met de vrouw opschrijven,” zei Tim. “Voortaan moet je schrijfgerei meenemen Jos. Nu kan je wel wat vergeten zijn.” “Zonno heeft toch ook alles gehoord,” zei ze. “Dat is waar,” zei hij. “Vertel nog maar een keer Jos, dan schrijf ik het op.” En tegen Zonno. “Jij moet luisteren of ze iets vergeet. Laat de koffie met vellen, maar zitten,” zei hij nog. Zo werd het gesprek genoteerd. Soms onderbro­ken door Zonno, die af en toe nog iets aanvul­de. “Zo,” zei Tim. “Dat staat er op. Nu zullen we alles eens op een rijtje zetten.” “Voor je met dat rijtjes werk begint, kan ik mis­schien beter eerst vertel­len wat de poes te zeggen had,” zei Zonno met een schijn­heilig gezicht. “Kleine deugniet,” zei Josje. “We branden natuur­lijk van nieuwsgierig­heid, dat weet je ook wel.” “Vertel op,” zei Tim. Zonno kuchte, en begon. “Om…” Tim liet hem niet uit­spreken. “O nee toch,” riep hij. En Josje zei: “Vertel nu een beetje vlot, je hebt ons nu genoeg ge­plaagd.” “Wat zullen we nou krijgen,” zei Zonno. “Ben ik van plan om vlot te zijn, en dan komen jullie er tussen.” “Dat vlot zijn van jou kennen we,” zei Tim. “Als jullie nu stil zijn, dan kan ik eindelijk beginnen.” Voor ze nog iets konden zeggen, zei hij gelijk:” Ik begin maar zoals ik daarnet van plan was. Om maar met de deur in huis te val­len.” Weer werd hij onder­broken. Want Tim en Josje barsten in lachen uit. Toen ze eindelijk uitgelachen waren, kwam het verslag van de poes. “Het was moeilijk haar aan het praten te krijgen,”be­gon Zonno. “Ze kwam wel meteen tegen het tasje liggen, toen ik haar riep.” “Hoe riep je haar dan?” vroeg Josje. “Met een heel zacht miauw­tje. Daarna hebben we alleen nog maar zacht met elkaar gesnord.” “Ik heb er in ieder geval niets van gehoord,” zei Josje. “Blijven jullie kletsen,” zei Tim onge­duldig.

“Dan ga ik wel zolang in mijn neus zitten peuteren. Want vliegen vangen doe ik niet meer.” Zonno ging onverstoord verder. “Ik zei al, ze was moeilijk aan de praat te krij­gen. In het begin was ze nogal kort van stof.” “Ik ben niet meer zo goed van vertrouwen, na wat ik allemaal meegemaakt heb,” zei ze. “De ellende begon al, toen ik zes weken was. Het waren beste mensen die in het huis woonden waar ik geboren ben, dat wel Ik had twee zusjes en drie broertjes. Voor ons allemaal hebben ze een tehuis gezocht. En ik kan je vertel­len, dat dat vandaag de dag niet mee­valt. Wat het voor mijn moeder en ons betekende, om af­scheid te moeten nemen beseften ze niet. Dat heb ik ze ook nooit kwalijk genomen. Ze wisten niet beter.Ik was de laatste waar ze een tehuis voor vonden. Ik vergeet nooit meer het grote ver­driet van mijn Moeder, toen ze me bij haar weghaalden. Ze had zo gehoopt dat ze één kindje mocht houden.” “Wat kopen we eigenlijk voor dit ver­haal, het heeft niets met de zaak te maken,” zei Tim. “Vertel het asjeblieft helemaal af,” zei Josje. “Tim kan er niet tegen, die vindt dat zielig, ik ook natuurlijk,” voegde ze er haastig aan toe. “Maar ik wil het toch horen.” Zonno die gezien had, dat er tranen in Tim’s ogen kwamen, wist dat Josje gelijk had. “Als dat zo is, dan hoef je je daar niet voor te schamen Tim, zei hij. Het betekend heus niet dat je kinderachtig bent. Het bete­kend dat je gevoel hebt, en daar moet je juist trots op zijn. Zal ik dan maar verder gaan?” vroeg hij. Tim knikte. “De poes zei: “Ik kwam in een gezin met twee kinderen. Ik had het er goed, al verlangde ik soms heel erg naar mijn Moeder . Mijn zusjes en broertjes miste ik ook erg, vooral in het begin. Later slijt dat. Het ging allemaal goed, tot ik verliefd werd. Elke kans benutte ik, om naar buiten te komen. Waar Kees- zo heette mijn vriend, altijd op wacht stond. We hebben zo’n gelukkige tijd beleefd samen. Toen ik zwanger werd, waren we allebei zo trots. Maar de angst sloeg me soms om ’t hart als ik er aan dacht, dat ze mijn kindertjes weg zouden geven. Maar ik probeerde dan die akelige gedachten uit mijn hoofd te bannen.

Als Kees zag dat ik huilde, probeerde hij mij te troosten. Hij zou zorgen dat ik onze kinderen kon houden, zei hij dan. Hij wou proberen buiten de stad, een plekje voor ons te zoeken, in een boerenschuur. Het is hem niet gelukt. Nadat hij vertrokken is om dat te doen, heb ik hem nooit meer gezien. Mijn kinderen zijn geboren, en werden bij me wegge­haald. Die heb ik ook nooit meer gezien. Later hoorde ik dat de man ze doodgemaakt had. Ik moest het huis uit, ze wilden mij niet meer. Ze hebben me naar het asiel gebracht, waar de vrouw me uitgehaald heeft. Nu ben ik gesterili­seerd, en daar ben ik blij om. Ik had graag kinderen gehad, maar dat is voor een poes niet weggelegd. Begrijp je nu waarom ik zo wantrou­wig ben” besloot ze. Josje en Tim waren er allebei stil van. Zonno liet ze even betijen. Hij kuchte en vervolgde zijn verhaal. “Ik heb haar rustig uit laten spreken. Ik zag dat het haar van het hart moest. Ze heeft me daarna een paar dingen over het meisje verteld. Pak je pen maar weer op Tim, je krijgt weer schrijfwerk. Ik zal dit gedeelte van het gesprek woordelijk vertellen. Ik vroeg haar, kun je me iets over Selma vertellen?” “Een raar geval met dat kind,” zei ze. “Als de hospita naar haar kaartavond is, telefoneert ze altijd. Ze doet wel altijd geld in het busje, dat moet ik wel zeggen.” “Wat is daar raar aan dat ze belt?” vroeg ik. “Het zijn de dingen die ze zegt.Ik vang natuurlijk alleen maar flarden van het gesprek op. Ik hoor alleen wat zij zegt.” “Wat zegt ze dan?” vroeg ik. “Ze heeft bijvoorbeeld wel een paar keer gezegd.: “Als ze alles wisten, keken ze me nooit meer aan.” ” Een andere keer ving ik op.” “Mis­schien valt het allemaal nog wel mee, ik blijf toch hun dochter. Wellicht denken ze er later anders over.” “Heb je kunnen merken , of ze met een man of een vrouw sprak,” vroeg ik. “Het was een man,” zei ze zeer beslist. “Want op een keer brak ze een gesprek af met de woorden: “Schat laten we maar afbreken. Want zo begint studio sport. En dat wil ik je niet ontnemen.” “Ze zei ook nog: “We praten van de week wel ver­der.” De poes besloot haar  verhaal met: “Maar ze is wel aardig hoor!Er kan altijd een aaitje van af.” “Dat waren haar laatste woorden,” zei Zonno.

“Toen ging ze rechtop staan, stak haar staart in de hoog­te. Je weet wel hoe een poes dat kan doen. Ze liep naar de bank. Sprong erop. En ging zich op zitten tutten.” Toen Zonno uitge­sproken was, zei Tim: “Ik denk dat we een vruch­tbare dag achter de rug hebben. We kunnen nog net alles op een rijtje zetten voor we naar bed gaan.” “Wat moeten we op een rijtje zetten?” vroeg Josje. “We moeten alle drie onze mening zeg­gen, over de dingen die we tot nu toe te weten zijn gekomen. En of er iets is wat ons ver­dacht voorkwam,” antwoordde Tim. “Dan weet ik al meteen iets,” zei Josje. “Niet zo haastig zus, ik wou beginnen bij het begin.” “En wat is het begin?” vroeg Zonno. “Toos,” zei Tim kort en bondig. “Die was de eerste die we verhoord hebben.” “Ver­hoord,” zei Josje. “Wat doe je weer gewichtig. Het was toch een doodgewoon vraagge­sprek.” “Dat is nou net wat Toos ook dacht. Maar ik vind dat we haar verhoord hebben.” “Dat ben ik met Tim eens,” zei Zonno. “Prima,” zei Tim. “Of het nu verhoren is of niet, wij noemen het voort­aan zo. Wie van jullie wil iets zeggen over het gesprek met Toos?” vroeg hij. “Als je bedoeld of ik daar iets verdachts in ont­dekt heb, dan moet ik zeggen het kwam op mij allemaal normaal over,” zie Josje. “En jij,?” vroeg Tim aan Zonno. “Ik wil het niet direct ver­dacht noemen, zei Zonno. “Maar de com­missaris had een aantekening gemaakt, dat ze een slachtof­fer  was. Toen had ik me dat heel anders voorge­steld. Ze heeft een duw ge­kregen, en is ongelukkig terecht gekomen. Het gesprek, daar denk ik hetzelfde over als Josje. Alleen dat woord, slacht­of­fer, dat zit me een beetje dwars,” besloot Zonno. “Over het gesprek heb ik de­zelfde mening als jullie,” zei Tim. “Dus dat is voorlopig van de baan. Ik noteer: Gesprek Toos, niets verdachts. En van de aanmerking van jou op het woord slachtof­fer, maak ik wel een aanteke­ning,” zei hij tegen Zonno. Tim stond van zijn stoel op. “Ik moet even iets doen,” zei hij. “Ik ben direct weer terug.” Hij liep naar de keuken, pakte de soeplepel die daar aan een rekje hing. En ging terug naar de huiska­mer, waar hij weer plaats nam.

Hij gaf een klap met de soeplepel op de tafel, en zei gewich­tig: “Tweede punt van het agenda. Gesprek met de hospita van Selma.” Zonno en Josje lagen in een deuk. Maar Tim ging onver­stoord verder. “Wie heeft daar iets over te zeggen?” vroeg hij. “Sinds je op de stoel van de commissa­ris gezeten hebt, heb je wel een politietic broer,” zei Josje. Zonno hield zijn buikje vast van het lachen. “Ik lach me een kriek,” zei hij. “Al weet ik niet eens wat een kriek is.” “Dat is een doodgewo­ne kers,” zei Tim. “Maar hier valt niets te lachen,” zei hij ernstig. “We zijn met een moeilijke zaak bezig. Ik wil nu van Josje Mulder haar mening horen, over het gesprek met de hospi­ta van Selma.” Josje en Zonno waren weer wat gekalmeerd. Ze vonden het best leuk van Tim. Ze hielden wel van een grapje. “Komt er nog wat van Jos,” vroeg Tim. “Als ik het eerlijk moet zeggen,” zei Josje. Alles wat de poes ver­telde over de tele­foonge­sprekken van Selma, vind ik verdacht.” “Kun je daar nog verdere uitleg over geven?” vroeg Tim. “Het is zoals ik al zei. Ik vind alle flarden van de gesprekken die de poes ge­hoord heeft verdacht.” Tim viel even uit zijn rol.”Ik vind het een uitleg van lik me vessie,” zei hij. “Die beoordeling is aan jou,” zei Josje venijnig. “Goed zus,” zei Tim sussend. “Jij hebt je zegje gezegd, de beurt is nu aan Zonno.” “Ik pas even,” zei Zonno.” Je neemt schijnbaar geen genoegen met de uitleg van Jos. Maar ik wil deze keer graag eerst jou mening horen. Daarna is het dan mijn beurt.” “Jij komt op voor Josje hé,” zei Tim. “Dat waardeer ik in je. En dat je wilt dat ik eerst mijn mening zeg, daar leg ik me bij neer. Ik ben het volmondig met mijn zuster eens. Al had ik er liever meer uitleg over gehad. Alles wat de poes opge­vangen heeft, is verdacht. Ik geloof ook vast, dat Selma er iets mee te maken heeft. Wat ik van Josje had willen horen is de uitleg waarom.” “Geef jij die dan maar,” zei Zonno. “Al­lereerst,” zei Tim. “Het gezegde: Als ze alles wisten, keken ze me nooit meer aan. Dat duidt toch op iets ernstigs.” “Ze kan aan de drugs zijn,” zei Zonno. “Voor mij kan het ook met de bankoverval te maken hebben”, zei Tim.

“Ik geef je daar geen ongelijk in,” zei Zonno. “Maar wat ik opperde, kan ook. Nu het volgende punt,” zei Zonno. “Wat heb je nog meer over deze zaak.” “Het tweede punt,” zei Tim. “Sta ik sterk in. Ik ben er in ieder geval van over­tuigd dat ze iets met de zaak te maken heeft. Mijn grootste argument is,er zijn te veel toevallighe­den. Vier weken geleden, is ze plot­seling van Den Haag vertrokken om hier te komen wonen. Ze was op de dag van de overval in de bank. “Als je dat combineert, met wat de poes gezegd heeft, vindt ik dat zeer verdacht.” “Natuurlijk is dat verdacht,” zei Zonno. “Zelf heb ik ook nog wel een punt. Jij hebt het over toevalligheden. Vind je het ook niet toeval­lig, dat het  bejaarde echtpaar in de bank was, op het tijdstip van de over­val?” “Waarom zou dat nu toevallig zijn?” vroeg Josje. Tim sloeg zich tegen zijn voorhoofd. “Je hebt gelijk Zon­no,” zei hij. Ik weet wat je bedoelt. Selma werkt in het bejaardenhuis waar dat echtpaar woont. Ik was dat helemaal vergeten. Dus de mogelijkheid bestaat, dat het oude echt­paar ook bij de overval betrokken is.” “Zover wil ik niet gaan,” zei Zonno. We moeten vooral geen voorbarige conclu­sies trekken. Als jij alles noteert, dan passen we later de stukjes aan elkaar.” “Wat is de vol­gende stap die we gaan doen?” vroeg Josje. “Mag ik daar even het woord over?” vroeg Zonno. Tim gaf een tik op de tafel, en zei met een knipoogje:” Ga je gang, maar houdt het kort.” “We kunnen uit drie dingen kiezen,” zei Zonno. “Het eerste is, we kunnen bijvoor­beeld het geval Selma verder uitdiepen.” “Hoe bedoel je dat?” vroeg Josje. “We kunnen naar Den Haag gaan, en proberen of we bij de ouders van Selma, nog iets over haar te weten kunnen komen,” zei Zonno. “Maar we kunnen ook begin­nen met Selma te schadu­wen. De hospi­ta heeft gezegd, dat ze twee avonden per week uitgaat. Typeles en de bio­scoop. De poes heeft gehoord dat Selma zei: “We praten van de week wel verder.” “Dat moet op één van de twee avonden zijn.” “Ik begrijp het,” zei Tim. “Of ze heeft geen type­les, of ze gaat niet naar de bioscoop. Dus het is duide­lijk, dat het op één van die twee avonden is, dat ze die vent ontmoet.” “Dat is precies wat ik bedoel,” zei Zonno.

“Maar we weten niet welke avonden dat ze uitgaat,” zei Josje. “Dat is jou fout Zus,” zei Tim. “Dat had je aan de hospita kunnen vragen.” “Ik weet niet of je het weet,” ant­woordde ze. “Maar ik doe dit werk pas.” Tim gaf weer een tik op tafel. “Zonno je hebt eigenlijk twee punten tegelijk genoemd, zei hij. “En wel te weten, de ouders in Den Haag, en Selma scha­duwen. “Sorry,” zei Zonno. “Dan heb ik het dus fout gezegd. Het zijn dan zelfs vier mogelijk­heden. We hebben nog het bejaarde echtpaar, en de man van vijfender­tig jaar.” “Je vergeet,” zei Josje. “De vrouw met het lastige kind.” “Je ziet wel,” zei Zonno. “Dat we alle drie het klappen van de zweep nog niet de baas zijn.” “Nu hebben we al de keus uit vijf mogelijkheden,” zei Tim. “We moeten maar stemmen over wat we het eerste gaan doen,” ging hij verder. “Ik noem mogelijkheid één. Als jullie vinden dat we daar mee moeten beginnen, dan steek je een vinger op. Ik ook natuurlijk,” voegde hij er aan toe. “Ik noteer dat dan. En wat de meeste stemmen krijgt, daar gaan we mee begin­nen. Gaan jullie daar mee accoord?” vroeg hij. Josje en Zonno antwoordden instem­mend. De stemming ver­liep vlot. Het werd het bejaarde echt­paar. Het was de enigste keer waarbij alle drie de vingers de hoogte in gingen. “Dat is dat,”zei Tim. “Morgen gaan we meteen op bezoek bij de twee ouwetjes. En nu naar boven,” comman­deerde hij. “’t Is kinder­bedtijd.”

Het was midden in de nacht, toen Zonno wakker werd. Josje sliep vast. Hij verplaatste zich naar de huiskamer. En ging aan zijn tafeltje zitten. Hij had dat al een paar keer ge­daan. Hij probeerde dan contact te krijgen met de ouwe wolk. Hij wreef dan over zijn buikje, en riep de ouwe wolk aan. Hij voelde dan aan zijn hoofdje of het antenne­tje er uit kwam. Tot nu toe was hem dat nog niet gelukt. Misschien lukt het me nu, dacht hij. Ik heb vast iets verkeerd ge­daan. Ik heb steeds rechtsom over mijn buik gewreven. Misschien moet het wel linksom. Hij begon links­om over zijn buikje te wrijven, en in gedachten riep hij de ouwe wolk aan. Hij hoefde niet te praten dat wist hij nu wel.

“Ouwe wolk ik wil zo graag even met U praten. Ik hoop dat U me nu hoort,” zei hij. Terwijl bleef hij over zijn buikje wrij­ven. En hij legde zijn hand op zijn hoofd, om te voelen of het antennetje er uit kwam. Maar dat gebeurde niet. Wat doe ik toch fout, dacht hij. Hoe kom ik ooit nog in contact met de Ouwe wolk. Toen opeens hoorde hij in zijn hoofd, de stem van de Ouwe wolk. “Schei toch uit met dat gewrijf,” zei ze. “Maar zo  moet ik toch doen om contact met U te krij­gen,” zei Zonno. De Ouwe wolk lachte. “Wat ben je toch een onnozel druppeltje,” zei ze. “Dat je daar in getrip­trapt bent. Dat met die antenne was een grapje. Maar tevens be­doeld om te kijken, of je snug­ger genoeg was om dat te begrij­pen. Je hebt toch zo gelachen om Josje, toen je haar fopte met dat trip-trap. Kijk nu heb je van je eigen laken een pak,” zei de Ouwe wolk.” “Maar U heeft me toen zelf geholpen,” zei Zonno. “Er kwam toen toch een tasje en een dagboek.” “Dat is waar,” zei de Oude wolk. “Maar dat komt omdat ik zelf ook van een grapje houd. Maar je hebt nu wel langzamer­hand gemerkt, dat je alleen kan toveren, als ik je help. En ook dat je niet altijd op je wenken bediend wordt.” “Maar mezelf verplaat­sen, dat lukt altijd,” zei Zonno. “Goed  gezien druppel,” zei de Ouwe wolk. “Je moet niet verge­ten, dat je door de zon uitverkoren bent. Waarom, Joost mag het weten. want er waren heel wat druppels die toen gevallen zijn. die veel wijzer waren dan jij. Maar je hart zit wel op de juiste plaats, dat is waar. Omdat je door de zon uitverko­ren bent” ging ze verder. “Heb je wel bijzonde­re eigenschap­pen. Maar omdat je bij mij groot­ge­bracht bent, heb ik ook een vinger in de pap. Als je brgrijpt wat ik bedoel.” Zonno zucht­te. “Ik had U willen vragen om hulp,” zei hij. “Maar na wat U zojuist allemaal gezegd heeft, ben ik bang dat U dat nog niet doet.” “Bin­go,” zei de Ouwe wolk. “Je begint het al aardig te leren. Waarom zou ik jullie nu al helpen. Het gaat heel goed. Jullie pakken de zaak goed aan. Ik heb je toch ook een aanwij­zing gegeven, de vorige keer dat we elkaar gesproken hebben.” “Dat is waar,” zei Zonno.

“Maar we begrijpen daar alle drie niets van.” “Dat komt nog wel,” zei de Ouwe wolk. “Daar ben ik vast van over­tuigd. Misschien geef ik je de volgende keer nog een aan­wijzing. Maar nu gaan we sluiten.” “Wacht nog even,” zei Zonno. “Ik wou U vragen wat ik moet doen, om met U in contact te komen. “Geen gewrijf of gemier,” zei de Ouwe wolk kortaf. “Je roept me gewoon aan. Als ik het nodig vind krijg je antwoord. Op mijn hulp kun je altijd reke­nen, dat weet je wel.” Het con­tact was verbroken. Zonno verplaatstte zich terug naar bed, en kroop onder de punt van Josje’s kussen. Hij vond het fijn dat hij met de Ouwe wolk gesproken had. Ze was wel streng, vond hij. Maar hij wist dat hij op haar vertrouwen kon. Dat gaf hem een gelukkig gevoel.

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001
A. Goedegebuur – Klarenbeek 1919 – ✞30-08-2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wij gebruiken eigenlijk geen koekjes van je, maar mocht een toepassing die wij gebruiken dat toch doen, dan zullen wij het niet gebruiken of opslaan.