Zonno – 13

                              HOOFDSTUK 13

Wat Tim had gezegd, kwam precies uit. De hospita vond het heel normaal, dat ze Selma ook wilden spreken. Ze gaf de avonden door, wanneer Selma niet thuis was. Het waren de dinsdag en vrijdag. “Dat komt mooi uit,” zei Tim. “Morgen is het vrijdag. Dus kunnen we meteen aan de slag. We gaan haar scha­duwen.” “We weten niet hoe laat ze ’s a­vonds de deur uit gaat,” zei Josje, “want dat durfde ik niet te vra­gen.” “Dat geeft niet,” zei Zonno. “Dat kunnen we zo’n beetje uitreke­nen. Ze werkt tot zes uur in het bejaardenhuis.” “Hoe weet jij dat zo precies?” vroeg Tim. “Toen die verzorgster ons naar Janus en Mien bracht, ston­den er twee meisjes op de gang te praten,” antwoordde Zonno. “Eén van die meisjes zei toen: “Ik zal blij zijn als het zes uur is.” “Dat betekende voor mij, dat de werktijd dan om was.” “Grandioos van je” zei Tim. “Mij is dat ont­gaan.” “Ik heb het ook niet gehoord,” zei Josje. “Je hebt gelijk Zonno,” zei Tim. “Dan is het te bere­kenen. Zeg nou dat ze er twintig minuten over doet om bij haar woning te komen. Dan moet ze eten. En waarschijnlijk zal ze zich omkleden. Dan zal ze ongeveer half acht de deur uit gaan.” “Zo had ik het ook gedacht,” zei Zonno. “Maar om zeker te zijn, moeten we zeker een kwartier van te voren, in de buurt van haar huis staan. Moeten we een poosje wachten, dat is niet zo erg. Dat moeten we er maar voor over heb­ben.” Zo hadden ze alles be­sproken, nadat Josje gebeld had met de hospita. Maar nu was het vrijdag. Josje had net zoals altijd ont­bijt klaar gemaakt, en Tim en Zonno gewekt. Onder het eten zei Josje: “We moeten tot vanavond wachten, om Selma te schadu­wen. Wat doen we dan de hele dag?” “Gewoon iets van ons programma afwerken,” zei Zonno. “We kunnen bijvoor­beeld de vrouw met het lastige kind bezoeken.” Josje en Tim stemden daar mee in. Het adres van de vrouw hadden ze. Dus dat was geen probleem. Tim wist in welk gedeelte van de stad de Schoolstraat lag.

Binnen tien minuten stonden ze op de stoep van nummer 87. Josje belde aan. Er werd open gedaan door een jonge vrouw. Josje vertelde natuurlijk weer het verhaal over de school­krant, omdat gebleken was, dat het zeer geloofwaardig klonk. Ook nu werkte het weer prima. Ze werden uitgenodigd om binnen te komen. De vrouw ging hen voor naar de huis­kamer en bood hen aan plaats te nemen. “Fijn dat U ons wilt helpen, met het artikel dat we moeten schrijven,” zei Josje. “Zeg maar Annie hoor,” zei de vrouw. “Natuurlijk wil ik jullie helpen. Ik ben ook jong geweest. Ik weet dat het voor jullie een hele eer is, dat jullie dit mogen doen. Zelf heb ik op school nooit zo’n kans gehad. Vuren jullie je vragen maar af hoor.” “U was toen de overval gepleegd werd in de bank,” zei Tim, “kunt U ons precies vertellen hoe het gebeurde?” “Ik stond aan een loket,” zei Annie, “om infor­matie te vragen, over een vakan­tiereis naar Spanje. Opeens kwam er een meisje binnen, met een man vlak achter haar. Toen had ik er nog geen erg in, wat er werkelijk aan de hand was. Dat komt, ik had het doch­tertje van mijn zuster bij me. Die deed niets dan huilen, en naar haar Mama vra­gen.  Maar direct achter hen, kwamen nog twee mannen. Toen zag ik dat ze gewapend waren, en bivakmut­sen droegen. De man die achter het meisje liep, duwde haar naar een loket, en dwong het meisje, tegen de man die daar achter stond, te zeggen dat ze bedreigd werd met een wapen. En dat hij de deur open moest maken. Na­tuurlijk deed het meisje wat de man zei. Ze hield zich heel goed moet ik zeg­gen.

Toen ging alles zo snel. In korte tijd waren ze verdwenen met het geld.” Josje en Tim voelden wel dat ze hier ook niet veel wijzer werden. Ze bedankten Annie voor haar aandeel aan het krantenarti­kel, en bromden weer huis­waarts.

Ze besloten die middag niets meer te ondernemen. Josje stelde voor om gezellig thuis te blijven. En de verdere middag spel­letjes te doen. Tim en Zonno voelden daar wel voor. “Dan kunnen we ons wat ontspannen,” zei Tim. “Van­avond gaan we er weer tegen aan.” Ze hadden een fijne middag.

Soms werd het spel even onderbro­ken, doordat één van hen een opmerking over de zaak maakte. Hele­maal uit het hoofd zetten, konden ze niet. Ze speelden tot het tijd werd om te eten. “We gaan na het eten direct weg,” zei Tim. “Dan zijn we in ieder geval vroeg genoeg in de Von­del­laan.” Zonno zat onder het eten, met een  peinzend gezicht voor zich uit te staren. “Wat heb je toch,” zei Josje. “Je raakt het eten bijna niet aan.” “We zijn bij de vrouw en het kind niet veel wijzer gewor­den,” zei Zonno. “Het leek daar allemaal erg onschuldig.” “Daar is alles O.K.,” zei Tim. “Er is geen haar op mijn hoofd, die daar aan twijfelt.” “Dat denk ik ook,” zei Josje. “Maar waarom heb ik dan nu weer dat gevoel, dat we iets over het hoofd zien,” zei Zonno. “Weet ik veel,” zei Tim. “Ik denk dat jij je maar wat inbeeldt.” “Mis­schien heb je wel gelijk,” zei Zonno. Maar het klonk niet erg overtuigd. “Over weinig eten gesproken Zus,” zei Tim. “Zou ik eerst maar es naar mijn eigen kijken. Zelf heb je ook maar een muizenprakkie op.” “Ik voel me soms ineens ze angstig,” zei Josje. “Het is toch eigenlijk wel gevaarlijk wat we doen. We hebben met echte misdadigers te maken. Zouden we toch maar alles aan de politie vertellen?” “Ben je gek,” zei Tim. “We moeten dit afwerken. We hebben nog te weinig bewij­zen.” “Tim heeft ge­lijk,” zei Zonno. “Jullie kunnen moeilijk ver­tellen dat julie de meeste informatie gekregen hebben van een poes.” “Dat is waar ook,” zei Josje. “Daar heb ik gewoon niet meer aan ge­dacht. Ik begin er geloof ik aan gewend te raken, dat dieren praten. En als jij er niet was geweest Zonno, dan had ik dat ook nooit kunnen geloven.” “Dus je ziet wel,” zei Tim, “we hebben geen keus. Je zou er toch ook niet mee tevre­den zijn, als die boeven niet gestraft werden. En we hebben Zonno. Die kan ons altijd helpen, als we in moei­lijkheden komen.” “Ho ho,” zei Zonno. “Dat zou ik wel graag willen. Maar zonder de Ouwe wolk kan ik dat misschien niet. Dat weten jullie. Ik heb wel bijzondere eigen­schap­pen. Maar voor de meeste dingen, heb ik toch de hulp van de Ouwe wolk nodig.” “De Ouwe wolk laat ons vast niet in de steek,” zei Tim. “Daar kunnen we gif op nemen.” Daar kon Josje niets meer tegen in bren­gen.

Schuin tegenover het huis waar Selma woonde, hadden ze zich opgesteld. Tim had de brommer tegen de muur gezet. Josje zat op de duozit. Tim stond naast haar. Ze leken net een vrijend paartje. Dat hadden ze ook zo afgesproken. Zonno hadden ze zolang op het stuur gezet. “Als ze naar buiten komt,” zei Zonno, “moeten jullie even wachten voor je haar volgt.” “We weten eigenlijk niet eens hoe ze er uit ziet,” zei Josje. “Juffrouw zwartkijker,” zei Tim, “je maakt het je wel moei­lijk. We weten toch dat het een jong meisje is. En de hospita heeft niet gezegd dat ze nog meer meisjes in huis had.” “De poes ook niet,” zei Zonno. “Ik ben ook zo zenuwachtig,” zei Josje. “Daar komt het alle­maal door.” “Stil,” zei Tim. “Daar komt ze.” Zonno ver­plaatste zich naar het tasje. Het was een leuk meisje wat naar buiten kwam. Zonder om zich heen te kijken, liep ze de straat uit. Toen ze halverwege de straat was, startte Tim de brommer, en reed haar langzaam achterna. Selma stapte flink door. Het was te zien dat ze regelrecht op een doel afging. Ze keek niet één keer om. Zou het typeles worden of bioscoop, dacht Josje. Of geen van de twee. Het kon ook allemaal gelogen zijn. Onder­tussen waren ze in het cen­trum van de plaats aangekomen. Nadat Selma nog een paar straten door ge­lopen was, kwamen ze in de hoofdstraat. Over­dags was dat een drukke winkelstraat. Maar nu alle zaken gesloten waren, was het er vrij stil. Alleen bij de bioscoop stonden mensen. Selma stak de straat over, en liep recht op de bioscoop af. Voor het loket stonden een paar mensen. Selma ging achter hen staan, en wachtte tot ze aan de beurt was om een kaartje te kopen. Er stond een man de foto’s te bekijken van de film die deze week vertoond werd. Ze bevie­len hem schijnbaar wel, want hij ging nu ook in de rij staan voor een kaartje. Josje en Tim stonden aan de over­kant. “Dus het is toch waar wat ze gezegd heeft,” zei Josje. “Ze gaat naar de bioscoop.” “Dat doen wij vanavond ook,” zei Tim. Hij zette zijn brommer weg. Ze staken de straat over. En kochten, toen ze aan de beurt waren, ook kaart­jes. Selma was inmid­dels al naar binnen gegaan.

Toen ze de zaal in kwamen keken ze eerst waar Selma zat, en gingen toen een paar rijen verder achter haar zitten. De man die de foto’s had staan te bekijken, zat naast Selma. “Zou dat de geheimzinnige vriend zijn,” zei Josje. “Dat zou best kun­nen,” zei Tim. “Maar ze kijken helemaal niet naar elkaar,” “Dat zegt niks,” zei Tim. “Ze doen natuur­lijk of ze niet bij elkaar horen. Maar ze kunnen wel met elkaar pra­ten. Wij kunnen dat hier vandaan niet merken. We gaan in ieder geval als het pauze is naar het toilet. Dan komen we langs hen, en kunnen we de gezichten van die twee goed in ons geheugen prenten.” Ze konden er niet achter komen, of die twee bij elkaar hoorden. Telkens als tussen de programma’s het licht aan ging, zaten ze nog steeds zonder elkaar aan te kijken naast elkaar. Toen de voor­stelling afgelopen was, lieten ze Selma en de man eerst voorbij gaan. Ze gingen vlak achter hen lopen. De man liep iets achter Selma. Voor ze bij de uitgang waren, raakte de man heel even de hand van Selma aan. Maar toen ze buiten kwa­men, liepen ze in tegenge­stelde richting weg. “Zag je dat?” vroeg Tim. “Je bedoeld dat hij haar hand aanraak­te,” zei Josje. “Ik heb dat wel gezien, maar het leek mij toch dat het toevallig gebeurde.” “Daar ben ik niet zo zeker van,” zei Tim. “We rijden nog even de man na. Dan weten we waar hij woont.” Dat leverde verder geen moei­lijkheden op. Een paar straten verder stond de man stil voor een klein winkeltje. Haalde een sleutel uit zijn zak, ontsloot de deur, en stapte naar binnen. In de etalage waren schoenen uitge­stald. Achter de linkerhoek van het winkelraam stond een bordje. “We gaan kijken of we kunnen lezen wat er op staat,” zei Tim. Hij zette de brommer tegen de muur, een paar meter van het zaakje vandaan. Ze liepen er naar toe. Josje bukte zich, en tuurde op het bordje. “Vrijdag’s geslo­ten. Sta ik op de markt,” las ze hardop. “Daar worden we niet veel wijzer van,” zei Tim. “Maar we weten nu ten­minste waar hij woont.” Ze liepen terug naar de brommer, en gingen op huis aan. “Ik heb nog niks geen zin om naar bed te gaan,” zei Tim toen ze thuis waren.

“Zet eens een pot thee Jos, dan praten we nog wat.” “Wat vindt jij daar van?” vroeg hij aan Zonno, die al aan zijn tafeltje zat. “Daar ben ik direct voor te porren,” antwoordde deze. “Ik ben helemaal uitgedroogd. En stijf ben ik ook. Dat valt niet mee hoor, om een paar uur in het tasje te zit­ten.” “Ik geef  me gewonnen,” zei Josje lachend. En liep naar de keuken om thee te zetten. “Even de spieren losma­ken,” zei Zonno. En floep, daar hing hij met zijn kopje naar beneden aan het plafond. En rende heen en weer. “Jos,” riep Tim. “Kom gauw kijken. Zonno is weer bezig.” Josje kwam aange­rend, en kon nog net mee genieten van de gekke vertoning. Totdat er uit de keuken een luid gefluit kwam. “Het water kookt,” riep Zonno, “we krijgen thee.” En floep, daar zat hij weer achter zijn tafeltje. “Ik vind het toch wel gezellig zo,” zei Josje, terwijl ze genietend van haar thee dronk. “Dat wist ik wel,” zei Tim. “We hadden wel gelijk ons bed in kunnen schie­ten. Maar hier geef ik toch de voorkeur aan. Lekker effe naklet­sen. Na vanavond ben ik er helemaal van overtuigd, dat Selma bij de bankoverval be­trokken is.” “Voor mij stond het ook vast,” zei Josje. “Maar dat we vanavond verder gekomen zijn, zie ik niet zo zitten. We hebben alleen gezien dat die man de hand van Selma aanraakte. Ik vind dat geen reden om te denken dat ze bij elkaar horen.” “Wat denk jij er van Zonno?” vroeg Tim. “Ik denk dat jullie alle twee gelijk kunnen heb­ben. Hoewel ik de mening van Tim meer kans geef. Dat aanraken van Selma’s hand, moet je wel noteren Tim. Het is niet onbe­langrijk. We zijn goed gevor­derd met de zaak. Maar nog steeds kan ik twee dingen niet uit mijn gedachten zetten. Ik denk dat jullie me zacht­jes­ aan wel vervelend zullen vinden. Maar ik moet het toch weer herhalen. Ten eerste. Wat bedoelt de Ouwe wolk met “piep-piep”. En ik ben er nog steeds van over­tuigd dat we iets over het hoofd zien. Er klopt iets niet.” “Wat je zegt over de Ouwe wolk, daar geef ik je gelijk in,” zei Tim. “Maar dat we iets over het hoofd gezien hebben, dat geloof ik niet. Ik zou gewoon niet weten wat dat zou moeten zijn.” “Zonno kan het mis hebben Tim,” zei Josje.

“Want als hij het zo denkt, dan moet hij dat ook kunnen zeg­gen.” “Daar zeg ik toch ook niks van,” zei Tim. “Maar in dit geval zit hij volgens mij, helemaal fout. Dat idee dat we iets over het hoofd zien, heeft hij zich nu eenmaal inge­beeld.” Zonno zuchtte. “Weet je Jos,” zei hij, “mis­schien heeft Tim gelijk. Ik moet het maar proberen van me af te zetten. Morgen is er weer een dag, laten we het daar maar over heb­ben. Wat gaan we dan doen?” “Het lijkt me het beste dat we de man van vijfendertig jaar opzoeken,” zei Tim. “Ik zou zo graag Toos nog eens willen spreken,” zei Josje. “Kunnen we de man nog even uitstellen, en eerst Toos een bezoek brengen?” “Dan moeten we naar de bank,” zei Tim. “Daar werkt ze. Want waar ze woont weten we niet.” “Dat vind ik geen bezwaar,” zei Josje. Toen kwam Zonno er tus­sen. “Tim heeft gelijk Jos,” zei hij. “Toos hebben we al gesproken. En van die man weten we nog niets. Hij heeft tenslotte ook de overval meegemaakt. Mis­schien heeft hij iets gezien wat voor ons van belang is.” “Goed,” zei Josje. “Maar jullie moeten me beloven dat we daarna Toos nog eens bezoeken.” “Afgespro­ken,” zeiden Tim en Zonno. “Dus we gaan morgen de man een bezoek brengen,” zei Josje. “Dan moet je wel even in je notities kijken waar hij woont.” Tim blader­de wat in zijn papieren. “Meidoorn­straat 64 ,” zei hij. “Waar ligt die ergens?” vroeg Josje. “Dat weet Tim wel,” zei Zonno. “Toevallig niet,” zei Tim. “Maar we hebben een hollandse tong. We gaan er morgen gewoon op uit. Zien we een politieagent, dan vragen we het aan hem. Anders vragen we het gewoon aan iemand die we tegen komen.” Zonno wreef met zijn vingers langs zijn ogen. “Ik krijg slaap,” zei hij. “En ik geloof dat we nu beter kunnen afwachten of we morgen nog iets te weten komen. We zijn er bijna. De oplos­sing hebben we voor het grijpen. Onze theorie is goed. Er waren vier mannen be­trokken bij de bankoverval. Volgens ons, kunnen dat de zoon’s van Janus en Mien zijn. En de vriend van Selma. Die vriend kan de vent zijn uit de bio­scoop. Ik zou graag willen dat jullie dat door konden geven aan de politie. Maar daar is meer voor nodig.

Ik heb jullie laatst al gezegd; de meeste informatie die we hebben, komt van de poes.” “Groot gelijk heb je Zonno,” zei Tim. “We moeten gewoon verder, “wat Jos is het er nu mee eens. We bezoeken morgen eerst de man. Daarna komen we onze belofte na. Zij mag dan met Toos praten.” “Trip Trap,” zei Zonno. Tim liet hem niet uitspreken. “Geen geintjes,” zei hij. “We gaan gewoon naar bed.” Josje lag alles nog eens te overdenken wat er de laatste dagen gebeurd was. Haar Moeder had gebeld, en gezegd dat Oma weer op de been was. En dat ze over een paar dagen naar huis zou komen. Dan mochten Tim en zij, de rest van de vakantie naar Oma. Ze dacht, ik hoop dat we de zaak dan opge­lost hebben. Dan kunnen we met Zonno nog een fijne vakantie hebben bij Oma. Waarom ik Toos wil spreken, weet ik eigenlijk zelf niet. Maar ik heb zo’n gevoel dat ze meer weet. Daarom begrijp ik Zonno zo goed. Die heeft ook steeds zo’n gevoel wat hij eigenlijk niet thuis kan brengen. Als we morgen bij die man geweest zijn, moeten we maar meteen naar Toos gaan. Dan kom ik er mis­schien achter of mijn gevoel juist is. Ik probeer nu alles van me af te zetten. En probeer in slaap te komen. Ze draaide zich op haar zij, en sliep na een tijdje als een roos. Het was precies negen uur in de morgen, toen ze van huis gingen. Ze dachten niet dat ze de man zelf thuis zouden treffen. Want die zou wel naar zijn werk zijn. Maar ze wilden dan proberen met zijn vrouw een afspraak te maken. Wanneer ze konden komen om haar man te spreken. Tim reed rustig. Want hij wou zo vlug mogelijk iemand aanhou­den, om te vragen waar de Meidoorn­straat was. Daar zag hij een postbode, die brieven aan het bezorgen was. Daar kan ik het aan vragen, dacht hij. Die weet het vast wel. Hij stopte en hield de man aan. “Precies weet ik het niet,” zei hij. “Maar het is in het centrum. Daar moet je nog maar eens vragen. Tim tufte er heen. Na nog een keer gevraagd te hebben, kwamen ze zonder moeite in de Mei­doorn­straat aan. Tim reed zachtjes de straat door. Zoekend naar nummer 64. “Krijg nou niks,” zei Tim, toen hij voor nummer 64 stopte.

Zijn verbazing was gegrond, want ze stonden voor het stoffen­winkeltje, waar ze de avond te voren ook gestaan hadden. Hij zette zijn brommer een eindje verder stil. “Ik heb de straat helemaal niet herkend,” zei hij tegen Josje. “Ik ook niet,” zei Josje. “Maar het was ook donker.” “Dus dat is de vierde man,” zei Tim. “Maar wat doen we nu? vroeg Josje “Gaan we toch met hem praten?” “Daar moet ik even over nadenken,” antwoordde hij. “We weten nu zonder dat we hem gesproken hebben al een heleboel meer. Hij hoort erbij. Ik denk dat we er verder niet wijzer van wor­den.” Zonno kwam met zijn kopje boven het tasje uit. “Ik denk dat je het toch maar moet doen,” zei hij. “Juist omdat hij er bij hoort. Je kan dan contro­leren of zijn verhaal klopt met dat van de anderen.” “Welke anderen,” zei Tim. “Janus en Mien horen er ook bij. Dus die vertellen toch allemaal hetzelf­de.” “Je vergeet Toos,” zei Zonno. “Dat is waar,” zei Tim. “Die was nog wel niet hele­maal in orde toen we haar be­zoch­ten. Dus we weten niet of ze toen wel alles precies verteld heeft. Maar je hebt ge­lijk. We moeten het toch maar doen. Kijken wat hij te vertellen heeft. Het maakt het eigenlijk alleen maar makke­lij­ker, nu we weten dat hij er bij hoort. We hebben dan veel vlugger in de gaten dat hij zit te liegen.” Josje en Tim stapten het winkeltje binnen. De man was bezig de vakken bij te vullen. “Waar kan ik jullie mee van dienst zijn?” vroeg hij vriendelijk. Josje deed het woord. Ze ver­telde hem van de schoolkrant. En vroeg hem of hij hen wou vertellen over de bankoverval. “Kom maar mee naar achter,” zei hij. “Maar je moet niet naar de rommel kijken. Het is een echte vrijgezel­lenwoning hoor.” Tim mompelde maar wat. Toen ze plaats hadden geno­men, pakte Tim zijn schrijfgerei, en stelde de vragen die hij ook aan de anderen gesteld had. De antwoor­den kwamen precies overeen met wat de anderen gezegd hadden. Na de man bedankt te hebben, vertrokken ze. Zonder nog met elkaar te praten, stapten ze op de brommer en reden naar huis. Thuis kwamen de tongen los. “Mijn verstand staat even stil.” zei Tim. “Ik kan er geen hoogte meer van krijgen. Ik zei dat hij de vierde man was. Maar dat heb ik helemaal verkeerd.” “Hoezo?” vroeg Josje.

“Er waren drie mannen in de bank, en buiten was de chauf­feur,” zei Tim. “Dus dat klopt toch,” zei Josje, “dat zijn er pre­cies vier.” “Ik raak er helemaal in de war van,” zei Tim. “Maar we weten nu, dat hij er in ieder geval ook bij hoort.” Zonno had steeds in gedachten gezeten. Het was alsof hij niets gehoord had van hun gesprek. “Hoe denk jij hier over?” vroeg Tim aan hem. Zonno schrok op. “Ik weet niet waar je het over hebt,” zei hij. “Maar ik weet nu dat ik gelijk heb, dat er iets niet klopte.” “Hoi,” zei Josje. “Vertel op, want daar ben ik zo nieuwsgierig naar.” “En ik niet minder,” zei Tim. “Weten jullie nog,” zei Zonno, “dat Toos vertelde dat ze zo zenuwach­tig en angstig was.” “Ja natuur­lijk,” zei Josje. “En dat kan ik goed begrijpen ook.” “Maar de anderen vertel­len allemaal hoe flink ze zich gedragen heeft.” zei Zonno. “Inderdaad,” zei Tim. “Nou je het zegt, daar klopt iets niet. Maar misschien zag ze er om te zien kalm uit.” “Het is moge­lijk,” zei Zonno, “maar dan moet ze wel een hele grote zelf­beheersing hebben.” “Ik weet niet of dit van belang is,” zei Tim, “maar ik noteer het wel. “Nu word ik ook nieuwsgie­rig of Toos nog iets nieuws voor ons heeft,” zei Tim. “Want zoals Josje laatst al zei, was ze toen wij haar gesproken heb­ben, nog niet helemaal in orde.” “Dat is zo,” zei Zonno. “Ze lachtte ook zo overdre­ven, je kon zien dat ze zenuwach­tig was.” “Ze moet vast iets verdachts gezien hebben. Want ze heeft er met haar neus bovenop gestaan, toen dat stel­letje boeven daar aan de gang was,” zei Josje. “Het is heel begrij­pelijk dat ze er toen geen erg in had, dat bijna alle bezoe­kers van de bank bij de overvallers hoor­den.” “Ik stel voor,” zei Josje, “dat we maar meteen proberen haar te pakken te krijgen. Des te vlugger weten we hoe de vork in de steel zit.” “Goed idee Zus,” zei Tim. “We gaan er meteen op af.”

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001
A. Goedegebuur – Klarenbeek 1919 – ✞30-08-2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wij gebruiken eigenlijk geen koekjes van je, maar mocht een toepassing die wij gebruiken dat toch doen, dan zullen wij het niet gebruiken of opslaan.