Zonno – 14

HOOFDSTUK 14

Het was juist lunchtijd, toen Josje en Tim de bank binnen stapten. Er waren weinig cliénten. Het was ongeveer dezelfde

situatie, als tijdens de bankoverval. Het meisje dat de broodjes gehaald had, kwam net binnen. Josje en Tim liepen naar een loket, en vroegen aan de man die daar achter stond, of ze Toos konden spreken. De man vertelde dat ze ontslag had genomen. Nadat ze uit het ziekenhuis was, kon ze het niet meer aan. Ze had nog maar een week gewerkt, vertelde hij. Tim vroeg of hij het adres van Toos kon krijgen. De man zocht het voor hem op, en schreef het op een kaartje. Ze bedankten hem en wilden daarna de bank verlaten. Toen Josje opeens in haar hoofd de stem van Zonno hoorde. “Josje, luister even,” zei hij. “Ik heb toen ik door het scheurtje in het tasje keek, een klein gaatje ontdekt. Het zit in de muur aan de zijkant. Daar waar de loketten ophouden. Ik vermoed dat het een muizenhol is. Ik verplaats me naar het gaatje, en ga daar eens poolshoogte nemen. Gaan jullie maar op die bank zitten die daar staat, en wacht op mij. Ik hoop dat het een muizen­hol is. Mis­schien dat de muizen iets gezien hebben, waar we wat aan hebben. Ik ben zo vlug mogelijk terug, tot zo.” “Ga je mee Tim,” zei Josje, “dan gaan we even op die bank zitten.” “Ben je eindelijk wakker,” zei Tim, “wat mankeer jij? Ik vraag je al een paar keer wat, en ik krijg helemaal geen sjoege. Het lijkt wel of je ineens stokdoof geworden bent.” “Wat vroeg je dan?” zei ze. “Of je meeging. We hebben het adres van Toos, dus we kunnen haar bezoeken. Jij was het toch die haar zo graag wou spre­ken.” “Ga nou maar mee naar die bank, want ik moet je iets zeggen,” zei Josje. “Meiden,” zei Tim, maar hij liep toch met Josje mee naar de bank. Toen ze zaten, ver­telde Josje wat Zonno gezegd had. “Jij hebt wel een aparte band met hem, hé!” zei Tim.

“Je bent jaloers,” zei Josje. “Daar heb ik dan ook reden voor,” zei hij. “Ik vind van niet, het is heel logisch. Ik heb hem gevonden. Ik was de eerste mens die hij ontmoette. Daar zal het wel door komen. Hij mag jou ook wel een klein beetje hoor!” zei ze plagend. “Leuk hoor,” zei Tim. “Maar wacht es even Zus. Je zei dat hij niet zeker wist of het een muizenhol was, maar het blijkt nu wel zo te zijn. Anders was hij al terug geweest.” “Ik hoop dat je gelijk hebt,” zei Josje. “En als dat zo is,” zei Tim, “dan denk ik dat we een stapje verder komen. Want het kan de aan­wijzing van de Ouwe wolk zijn; Piep, piep.” “Weet je wel.” Josje keek Tim vol bewonde­ring aan. “Gut Tim,” zei ze, “je hebt ge­lijk. Knap hoor.” Toen Zonno zich verplaatst had naar het gaatje, zag hij een lang gangetje voor zich, wat duidelijk uitgegraven was. “Ik heb het niet verkeerd ingeschat”, dacht hij. “Dat moet naar een muizenhol toe lopen.” Hij liep verder het gangetje in. Na een paar bochten kwam hij in een open ruimte, die onge­veer een vierkante meter was. Niet precies vierkant, maar de opper­vlakte was daar ongeveer gelijk aan. Hij keek in de rondte. Er waren een paar jonge muisjes aan het spelen. Hij zag ook drie gaatjes, die allemaal afgeschermd waren door­ smalle reepjes goudkleurig papier. Het waren een soort vliegengor­dijntjes. De reepjes papier waren keurig afge­knaagd. Aan beiden kanten van de reepjes zaten puntjes, zó nauwkeurig door de muizen­tandjes gemaakt, dat het een prachtig effect gaf. Net zoals in het konijnenhol, werd de ruimte door glimwormpjes ver­licht. Zonno begreep dat hier drie families woonden. “Ik had alles verwacht” dacht hij. “Maar dit niet.” Hij stapte op het eerste holle­tje af, deed de reepjes papier van elkaar, en stapte het hol binnen. Er waren twee muizen een spel aan het doen. “Het was muizen­golf”, vertelden ze later. Ze hadden in het midden van het hol, een gaatje gegraven. Aan weerskanten van het gaatje, hadden ze op ongeveer 30 cm afstand, een streep getrok­ken. Ze speelden met steentjes. Ieder had tien steen­tjes. De ene muis had donkere, en de andere licht gekleu­rde. De steentjes werden precies op de strepen gelegd.

Ze moesten dan ieder op hun beurt, met hun pootjes een steen­tje in de richting van het gaatje schieten. Als alle steen­tjes gebruikt waren, begon het spel pas spannend te worden. Dan moesten ze een steentje van zichzelf tegen dat van de tegenpar­tij schieten. En wel zo, dat het dan in het gaatje terecht kwam. De muis die het gelukt was om alle steentjes van de ander in het gaatje te stoten, was win­naar. Het was zeker geen gemakkelijk spel. Toen Zonno het hol in kwam, stopten ze met het spel. Ze keken vreemd op toen hij zo ineens voor hen stond. Zonno bood zijn veront­schuldiging aan voor de storing, en stelde zich voor. Hij vertelde ook wat hij eigenlijk was. “Ik ben geen mens,” zei hij, “maar ook geen dier.” Hij vertel­de het verhaal van de regendrup­pel, en dat hij nu bezig was de bankoverval op te lossen. Hij vroeg hen of ze iets van de bankover­val gezien hadden. De grootste van de twee, nam het woord. “Natuur­lijk zouden we je graag hel­pen,” zei hij. “Maar wij gaan alleen de bank in als het perso­neel weg is. We vinden dan altijd wel iets te eten. We hebben wel gehoord dat er iets aan de hand was, maar we zijn niet gaan kijken. Er wonen hier nog twee families. Mis­schien kunnen die je helpen. Ze zullen dat zeker doen als ze iets weten. Het zijn zulke goeie muizen allemaal. Ze leggen ons ook niets in de weg. En dat is voor muizen met onze geaard­heid heel veel waard. Wij zijn twee mannetjes, weet je. En we houden veel van elkaar. Dat wordt echt niet in iedere muizen­familie begre­pen.” “Dat vind ik fijn voor jullie,” zei Zonno. “Het spijt me dat ik jullie gestoord heb. Speel maar rustig verder. Ik probeer het nog wel bij de andere families.” Hij ging weer terug naar de hal, waar de muisjes aan het spelen waren, en ging door het gordijn­tje het volgende hol binnen. Dat werd bewoond door twee bejaarde muisjes. Zonno zei waar­voor hij kwam, en dat hij al gesproken had met de twee manne­tjes die naast hen woonden. “Nette jon­gens zijn dat, hé Moe­der,” zei het mannetje. Het vrouwtje knikte. “Daar valt niets over te zeggen,” ging het mannetje verder. “Dat betekent niet dat ik hun geaardheid begrijp,” zei hij.

“Want bij mij gaat er niets boven een lekker wijffie. Maar goed, dat ligt bij hen effies anders.” Hij trok zijn snor­re­tje nog eens op, en zei: “U wou van ons horen of we iets over de bankoverval weten.” Hij keek met zijn bij­ziende oogjes Zonno aan. “Was ik maar gaan kijken,” zei hij. “We hebben dat spek­takel wel gehoord. Maar ik durf mij gewoon niet te verto­nen in de bank. Als die meiden het puntje van mijn neus zien, staan ze al boven op de tafel. Nou vraag ik je, wat kan ik hen nou voor kwaad doen. Ik kan niet meer zo goed zien en ik heb pijn in mijn rug. En al was ik zo gezond als een vis, wat dan nog. Maar die grieten worden hysterisch als ze me zien. Daarom blijf ik maar liever in mijn holle­tje bij mijn wijffie. Te eten hebben we toch wel. Alle buren zorgen dat we niks te kort komen. Ze weten ook wel dat ze, als ze geluk hebben, ook eens bejaarden zullen zijn. En dan moeten de jonge muizen weer voor hen zorgen. Wat de bankoverval betreft. Dat zul je nu wel begrepen hebben, daar kunnen we je niet mee helpen.” Zonno was weer niets verder gekomen. Maar ik heb er wel wat van geleerd, dacht hij. Hij ging naar het laatste holletje. Het was een jong echtpaar wat daar woonde. Maar dat had hij al begrepen. Want de muisjes die in de hal aan het spelen waren, moesten daar wel thuis horen. Ook daar werd hij goed ontvan­gen. Ze lieten hem rustig uitpraten, toen hij vertelde waarvoor hij kwam. “Ik denk dat we je wel iets verder kunnen helpen,” zei het mannetje, toen Zonno uitge­spro­ken was. Zonno keek hem hoopvol aan. “Een paar keer per dag,” ging het mannetje ver­der, “loop ik naar de ingang van het hol, en kijk dan de bank in. Dat geeft wat afleiding. Want we kunnen de bank pas in, als iedereen weg is. Ik zat daar ook toen het meisje met die overvaller achter haar, de bank binnen kwam. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het nog spannend vond ook. Toen ze langs het hol kwamen, haalde de man een zakdoek uit zijn zak om zijn neus te snuiten. Maar met die zakdoek, kwamen er twee stukjes kaas mee. Die vielen op de grond. Vlak voor het hol. Je weet dat we gek op kaas zijn, en ik begreep wel dat nu niemand mij zou zien als ik even het hol uit kwam. Alle ogen waren gericht op de bankro­vers.                                          

Ik heb toen als de sodeju de stukjes kaas de gang in gesleept. Het was nog een heel karwei om ze later naar ons hol te bren­gen. Want ze waren nog niet zo klein ook.” “Ik begrijp dat je daar blij mee was,” zei Zonno, “maar je had iets waar je me verder mee kon helpen, zei je.” “Dat is het,” zei het  muisje. “De kaas. Het ene stuk is op, maar van het andere is nog de helft over.” “Neem me niet kwa­lijk,” zei Zonno, “maar ik begrijp er niets van.” “Dat snap ik,” zei de muis. “Maar ik zal het je uitleggen. Een oom van me is een kaasexpert. Hij heeft maar een kruimel­tje nodig om te zeggen wat voor kaas het is, en in welke winkel die verkocht wordt. Dat komt doordat hij zowat in alle win­kels van de stad gewoond heeft. Ik moet er bij zeggen, dat hij daar een bijzondere gave voor heeft. Zijn reukin­stinct is natuurlijk veel meer ontwikkeld als dat van een gewone muis. Dus ik bedoel dit; als je met het stukje kaas naar mijn oom gaat, kan hij je in ieder geval vertellen uit welke winkel de kaas komt. Je komt er misschien iets verder mee.” Dat moest Zonno wel toegeven. Het was in ieder geval iets. “Waar kan ik je oom vinden?” vroeg hij. “Waar hij op het ogenblik woont weet ik niet,” antwoord­de de muis. “Maar het is vast in het centrum. Daar woont hij graag. Hij wordt Gijs Kaas genoemd. Iedere muis kent hem. Dus je zult hem best wel vin­den.” Zonno bedankte de muis hartelijk en nam een klein stukje van de kaas mee. En ver­plaatste zich naar het tasje van Josje, die samen met Tim, rustig op de bank zat te wachten. “We kunnen gaan Tim,” zei ze. Ze had het schok­je gevoeld, toen Zonno in het tasje belandde. “Het zal tijd worden,” zei Tim, die al een paar keer op zijn horloge geke­ken had. “We zitten hier al een uur.” “Je drijft weer over,” zei Josje. “Het is amper twintig  minuten.” “Het zal mij benieuwen wat Zonno te vertellen heeft,” zei Tim. “Mis­schien hebben we al die tijd voor nop op die bank gezeten.” “Je bent een geboren pessi­mist,” zei Josje. Ondertussen waren ze bij de brommer gekomen. Tim reed harder als dat Josje van hem gewend was.

Die wil naar huis, dacht ze. Die barst van nieuwsgierig­heid. Maar dat zal hij nooit bekennen. Ze hadden nog maar amper de deur achter zich dicht gedaan, of de vragen brandden los. “Ben je iets wijzer geworden?” vroeg Tim. “Had het te maken met de aanwijzing van de Ouwe wolk?” vroeg Josje. “Ho,ho,” zei Zonno. “Rustig aan. Ik ben zowat uitgedroogd. Eerst een bakkie thee. Dan ben ik pas aanspreek­baar.” “Moet dat nou,” zei Josje. “Ja, dat moet,” zei Zonno. “Mijn tong zit aan mijn gehemelte ge­kleefd.” Hij deed zijn tong tegen zijn gehemelte aan, en zei bijna onverstaanbaar: “Ik zou geen woord meer kunnen zeggen, al zou ik nog zo graag willen.” Josje begreep dat ze er niet onder uit kwam. Ik heb er eigenlijk ook wel trek in, dacht ze. “Vooruit dan maar,” zei ze. Even later zat Zonno genietend kleine slokjes van zijn thee te drinken. Josje en Tim hielden hun adem in. Ze wachtten vol spanning tot Zonno zou beginnen met spreken. Maar na elk slokje wat Zonno genomen had, zette hij het glaasje neer en keek hen aan. Deed zijn mond open, maar deed hem ook weer dicht. Pakte dan vervolgens zijn glaasje op, en nam weer een slokje. Toen dat een paar keer gebeurd was, hield Tim het niet meer uit. “Daar krijg ik wat van,” zei hij. “Waarom doe je nou je mond niet open.” “Geduld is een schone zaak Tim,” zei Zonno plagend. Maar hij vertelde nu toch  wat hij bij de muizen te weten was gekomen. “Het is niet zoveel,” zei hij. “Ik denk dat we er weinig mee kunnen doen.” “En daar laat je ons dan zo lang voor in spanning zitten,” zei Tim ver­wijtend. “Dat stukje kaas, daar hebben we vast iets aan. Daar ben ik van over­tuigd,” zei Josje. “De muizen hebben iets te maken met de aanwijzing van de Ouwe wolk, dat weet ik zeker.” “Je moet niet denken dat ze zo wijs van zichzelf is hoor,” zei­ Tim. “Zo­nder mij was ze daar nooit op gekomen.” “Jullie gaan toch alsje­blieft geen ruzie zoeken,” zei Zonno. “Laten we ons liever met de zaak bezig houden. Zelf heb ik daar nog niet zo bij stil ge­staan. Maar ik geloof wel dat jullie gelijk hebben. Het heeft vast iets met de aanwijzing van de Ouwe Wolk te maken. Dat piep piep, dat heeft natuurlijk betrekking op de muizen. Maar willen we daar iets mee kunnen doen, dan zullen we zo vlug mogelijk Gijs Kaas moeten vinden.”

Daar waren Josje en Tim het helemaal mee eens. “Maar ook al komen we door Gijs Kaas er achter uit welke winkel de kaas komt, zou ik nog niet weten wat we daar mee kunnen doen,” zei Tim. “De bankrover kan daar wel een vaste klant zijn,” zei Zonno. “Dan kunnen we misschien met een smoesje aan de weet komen wie hij is.” “Maar laten we eerst even naar Toos gaan,” zei Josje. “Dat hebben jullie beloofd.” “Dat is waar,” zei Zonno. “En dat gaan we nu meteen doen.” Toen ze aanbelden bij Toos, en deze de deur opende, her­kende ze hen meteen. “Hallo, leuk dat jullie langs komen,” zei ze. “Kom binnen. Ik heb net de koffie klaar.” Ze liep hen voor, door de gang naar de huiskamer. In een gemakkelijke stoel zat een man, die meteen opstond toen ze binnen kwamen. “Dat is mijn vriend,” stelde Toos hem voor. De man gaf hen een hand. “En dit zijn Josje en Tim,” zei ze. ” Ze hebben een stukje geschreven in de schoolkrant, over de bankover­val.” “We zijn er nog steeds mee bezig,” zei Tim. “Daarom willen we nog een keer met je praten. In het zieken­huis was je de schrik nog niet helemaal te boven. Misschien is je later nog iets ingeval­len. En dat zouden wij dan graag van je horen.” “Eerst koffie,” zei Toos. En ze voegde de daad bij het woord. Nadat ze de kopjes vol ge­schonken had, ging ze bij hen zitten. “Laat eens kijken,” zei ze. “Ik geloof dat ik jullie toen echt alles heb verteld. Ik was heel erg overstuur toen die gewapende man achter mij stond. Maar ik heb alles goed onthouden.” “Dat weet ik zeker,” voegde zij er nog aan toe. De  man mengde zich nu ook in het gesprek. “Ik begrijp best dat jullie zoveel moge­lijk willen weten,” zei hij. “Maar jullie moeten wel begrij­pen, dat Toos er nog steeds niet tegen kan om over die nare dingen te pra­ten.” “Ach, laat die kinderen toch,” zei Toos. “Ik kan er best wel tegen hoor.” Het beviel de man helemaal niet dat Toos zo reageerde. Er kwam een norse trek op zijn gezicht. “Maak mijn boterhammen maar klaar,” zei hij bars. “Dan vertrek ik.” Toos stond onmiddelijk van haar stoel op. “Dat is waar ook,” zei ze zenuwachtig. “Je hebt vanavond koop­avond. Dat zou ik haast vergeten.” “Neem me niet kwalijk hoor,” zei ze verontschuldigend naar Tim en Josje kijkend.

“Dit gaat voor. Hij moet zo weer aan het werk.” Ze liep naar de kast, haalde er brood, boter en een stuk kaas uit. En begon haastig het brood van de man te smeren. Ze pakte het stuk kaas, en voordat ze de boterhammen belegde, bood ze Tim en Josje een stukje kaas aan. Ze zagen hoe zenuw­achtig dat Toos was. Ze had twee vuurrode blosjes op haar gezicht. Josje kreeg meelij met haar. Ze stootte Tim aan. “Laten we gaan,” fluis­terde ze. Ze stond op. “Het spijt me heel erg Toos,” zei ze. “Dit hadden we niet moeten doen. Maar we wisten niet dat het je nog zo overstuur maakte. We gaan nu maar. We komen je over een poosje nog wel eens opzoeken.” “Dat moeten jullie beslist doen,” zei Toos. Haar stem beefde een beetje. “Dag hoor,” zei Josje. “We komen er wel uit.” De man had de krant gepakt, en zat daar schijn­baar aandachtig in te lezen, want hij zei geen boe of ba meer. Toen Josje en Tim buiten ston­den, was het eerste wat Tim zei: “Die vent, wat een izegrim is dat.” ” Ach, hij was misschien alleen maar wat overbe­zorgd over Toos,” zei Josje. “Gaan we naar huis? Of gaan we nog op zoek naar Gijs Kaas?” vroeg Tim. “Als je genoegen neemt met een zak patat vanavond, hebben we tijd zat,” zei Josje. “Daar straf je mij niet mee,” lachte Tim. “Maar laten we wel even over de markt lopen, en er een stuk gebakken vis bij halen.” “Dat doen we,” zei Josje. “Stap maar op,” zei Tim. “Ik brom je naar de markt.” Ze hadden nog maar een paar minuten gereden, toen Josje Tim op de schouder klopte. “Stop­pen,” zei ze. Tim stopte aan de kant van de weg. “Allejezus,” zei hij. “Wat heb je nou weer.” “Er schiet me ineens iets te binnen Tim. Hoe denk jij dat we Gijs Kaas moeten vinden.” “Daar heb ik helemaal nog niet over nage­dacht,” zei hij. “Ik ook niet,” zei Josje. Zonno kwam met zijn kopje boven het tasje uit. “Ik denk,” zei hij plagend, “dat jullie mij daar bij nodig hebben.” “Dat weet ik wel zeker,” zei Tim. Het kwam uit de grond van zijn hart. “Maar hoe wil jij dat dan aanpak­ken?” vroeg Josje aan Zonno. “Haal nu eerst maar gebakken vis op de markt. Daarna zoeken we wel één of ander dier, die ons verder kan helpen.” “Okie dokie,” zei Tim. En hij reed zonder verder commentaar naar de markt.

Toen ze bij de markt kwamen, zette Tim zorgvuldig zijn brom­mer in de fietsenstalling, die maar een paar minuten lopen van de markt vandaan was. “Weet jij een viskraam te staan Tim?” vroeg Josje. “Hoe moet ik dat dan weten,” zei hij. “Ik kom hier toch ook nooit.” “Dan zien we wel,” zei Josje. “We komen er vanzelf wel één tegen.” Ze waren al een paar straat­jes van de markt door gelo­pen, maar nog steeds geen viskraam. Opeens stootte Josje Tim aan. “Kijk daar eens,” zei ze. “Waar moet ik kij­ken?” vroeg Tim. “Naast die kaaskraam,” zei Josje opgewonden. “Verrek,” liet Tim uit zijn mond vallen. “Dat is die kerel van Selma.” En inder­daad. Naast de kaaskraam stond een grote stoffenkraam. En in de kraam stond de man die naast Selma in de bioscoop had gezeten. Hij was druk in gesprek met de man van de kaas­kraam. Josje en Tim liepen verder de markt over. “De stuk­jes van de puzzel gaan steeds beter in elkaar passen,” zei Tim. “Hoe bedoel je dat?” vroeg Josje. “Vind jij het dan niet stront toevallig dat die kerel van Selma naast die kaas­kraam staat.” Josje keek Tim verbaasd aan. “Denk nou eens even na,” zei hij. Hij tikte met zijn wijsvinger tegen zijn slaap. “Koppie laten werken.” Toen ineens was het alsof er bij Josje een licht opging. “Ik weet wat je be­doelt,” zei ze. “Jij denkt dat hij het is die dat stukje kaas in de bank verloren heeft. Maar omdat hij naast die kaaskraam staat is het toch nog niet zeker dat hij het is.” “Zo bedoelde ik het ook niet. Maar door die kaaskraam kwam ik ineens op het idee, dat het zo wel zou kunnen zijn. En dat we dat dan snel zullen weten als we Gijs Kaas gevonden hebben. Volgens mij hebben we de zaak bijna rond.” Onder­tussen waren ze bij een viskraam aangekomen. Ze kochten twee lekkerbekjes. Dat was voldoen­de. Want als ze Zonno van ieder lekkerbekje een klein stukje gaven, had die daar voldoende aan. “Laten we ons plan maar veranderen,” zei Tim. “We kopen patat. Dan gaan we naar huis. Anders worden de spullen koud. Gijs Kaas stellen we uit tot morgen.” “Ik moet je weer gelijk ge­ven,” zei Josje, die ook al honger begon te krijgen. Zo gebeurde het dus, dat ze een half uur later, lekker zaten te smullen.

“Als wij het geval willen oplossen, moeten we wel op­schieten. Want het wordt kort dag,” zei Josje. “De vakan­tie zit er bijna op. En we moeten ook nog een paar dagen naar Oma.” Tim had net een stuk vis in zijn mond gestoken. Half ver­staanbaar zei hij: “Het is nog maar een fluitje van een cent. De oplos­sing hebben we. Het is alleen nog de zaak; hoe ver­tellen we het aan de politie.” “Dat is nu juist waar ik ook zo over in zit,” zei Zonno. “We moeten met keiharde bewijzen komen. We moeten de hele oplossing als het ware op een bordje bij ze brengen. En dat zie ik nog steeds niet zitten. We weten zo goed als zeker dat Selma en haar vriend in het complot zitten. De telefoontjes van Selma met haar vriend spreken boekde­len. De andere drie mannen kunnen de zoon’s van Janus en Mien zijn. Het sluit alles als een bus. Maar wat kunnen we de politie vertellen? Dat een poes de tele­foonge­sprekken afgeluisterd heeft? Dat een muis een stukje kaas in de bank gevonden heeft? Jullie begrijpen toch ook wel, dat we daar niet mee voor de dag kunnen komen.” “Dat begrijpen wij ook wel,” zei Tim. “Maar wat me zo dwars zit, is dat wij alle drie weten hoe het in elkaar zit. En dat we daar verder niets mee kunnen doen.” “Dit geval ligt nu eenmaal zo,” zei Josje. “Dat kunnen wij niet helpen.” “Als we er maar achter konden komen waar ze de buit verstopt hebben. Dan waren alle moei­lijkheden opge­lost,” zei Zonno. “Wacht eens even,” zei Josje. “Waar we geen van drieën meer aan gedacht hebben is de Ouwe Wolk. Ze zou toch nog een tweede aanwijzing geven.” “Hoe is het mogelijk dat we zoiets belangrijks kunnen vergeten,” zei Tim. “Vergeten was ik het niet,” zei Zonno, “maar ik dacht, we moeten eerst de oplossing van de eerste aanwijzing gevon­den hebben.” “Maar die hebben we nu toch,” zei Tim. “De muis in de bank.” “Ik geloof ook wel dat dat zo is,” zei Zonno. “Ik zal zo vlug mogelijk verbinding zien te krijgen met de Ouwe Wolk.” “Hoe denken jullie er over om de drie mannen van de bank eens te bezoeken?” vroeg Josje. “Welke mannen bedoel je?” vroeg Tim. “Die drie, die tussen de middag thuis gaan eten,” zei Josje. “Ik zou niet weten wat we daar wijzer van kunnen worden,” zei Tim.

“Ik vind dat helemaal niet zo gek gedacht van Jos,” zei Zonno. “Ze waren er niet bij toen de bank overvallen werd, maar ze kunnen de dagen voor de bankoverval plaats vond, wel iets verdachts opgemerkt hebben.” “Ik vind het overbodig,” zei Tim. “Zelfs om Gijs Kaas te zoeken lijkt mij al niet meer nodig. We weten wie de daders zijn. Wat je daar­net zei over het vinden van de buit, dat vind ik veel belang­rijker.” “Natuur­lijk, dat is zelfs het allerbe­lang­rijkste,” zei Zonno. “Maar daar zie ik helemaal nog geen gat in. Laten we nu maar gewoon door gaan met waar we mee bezig waren. En hopen dat we van de Ouwe Wolk de tweede aanwijzing krijgen. Dan zien we verder.” “Eerlijk gezegd, zie ik ook geen andere mogelijk­heid,” zei Tim. “Dus dat doen we dan maar.” “Afge­sproken,” zei Josje. “Morgen op zoek naar Gijs Kaas. En die bankbedien­den, dat gaat niet door. Eigenlijk zie ik daar ook niet zo veel heil in. Maar ja, het was zo maar een idee.” Ze stond op. “Maar nu wens ik jullie welterus­ten.” “Weltrusten,” zeiden Tim en Zonno, en gezamenlijk gingen ze naar boven.

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001
A. Goedegebuur – Klarenbeek 1919 – ✞30-08-2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wij gebruiken eigenlijk geen koekjes van je, maar mocht een toepassing die wij gebruiken dat toch doen, dan zullen wij het niet gebruiken of opslaan.