Zonno – 15

                              HOOFDSTUK 15

De volgende morgen gingen ze al vroeg op weg om Gijs Kaas te zoeken. Ze reden naar het centrum van de stad. Daar hoopten ze een aanknopingspunt te vinden, omdat hij daar op vele plaatsen gewoond had. Toen ze langs een slagerij reden, waar een poes lekker in het zonnetje lag te bakken, gaf Zonno aan Josje door dat ze moesten stoppen. Zo hadden ze het afgespro­ken. Als Zonno iets zou zien wat hij een mogelijkheid vond om iets nader te weten te komen, dan zou hij dat telepatisch aan Josje doorgeven. Zij zou dan Tim op de schouder kloppen. Dat was het teken dat hij moest stop­pen. Toen Josje Tim dat teken gaf, stopte hij meteen. “Ga naar de slagerij waar die poes voor de deur ligt,” gaf Zonno aan Josje door. “Zet het tasje op de grond, vlak bij de poes. Dan probeer ik een babbeltje met haar te maken.” Josje stapte van de brommer af. Ze zei tegen Tim: “Ik ga naar die poes die daar ligt. Zonno wil met haar praten. Ga jij naar die cafetaria daar aan de overkant. Dan kom ik straks ook daarheen.” “Goed,” zei Tim. “Ik heb wel trek in een bakkie koffie.”  Josje liep naar de poes, zette haar tasje neer, en begon de poes te aaien. Ze hoorde Zonno zachte ge­luidjes maken. De poes miauwde even, en begon toen zachtjes te spinnen. Het was me alles waard als ik die twee kon ver­staan, dacht ze. De vrouw van de slager kwam naar buiten. “Hou je van poezen?” vroeg ze. “Heel erg veel,” zei Josje. “Dat kan ik zien,” zei de vrouw. “Want weet je, zo’n dier voelt dat. Ze is anders nooit zo vrien­delijk tegen vreemden. Moet je kij­ken. Ze blijft maar tevreden spinnen.” Je moest eens weten, dacht Josje; dat ze aan het praten is met Zonno. Maar ze zei: “O ja, is dat zo.” Terwijl ze het zei, stond de poes op en liep de winkel binnen. “Nu heeft ze er genoeg van,” zei de vrouw. Josje knikte maar. Ze wist niet meer wat ze zeggen moest. “Dag mevrouw,” zei ze liefjes. Ze pakte haar tasje op, en liep naar de cafetaria waar Tim zat te wachten. Tim zat aan een tafel bij het raam.

Ze ging bij hem zit­ten, en zette het tasje op de tafel, met het scheur­tje naar haar toe. De meeste tafeltjes waren bezet. De tafel waar zij aan zaten, stond in een hoek. Josje zat met haar rug tegen de muur. Aan de tafel die het dichtste bij hen stond, zaten twee oude  mensen. Josje had al gauw gezien, dat ze er vrij genoeg zaten om met Zonno te kunnen praten. Ondertussen had Tim voor haar een kop koffie gehaald. Ze nam er een slokje van. Toen tikte ze met haar wijsvinger tegen haar lippen, om te bedui­den dat hij stil moest zijn. Toen vroeg ze aan Zonno of hij nog iets be­langrijks te weten was gekomen. Zonno kwam met zijn kopje uit het scheurtje. “Ja, ik ben er best wel tevreden over,” zei hij. “De poes kent Gijs Kaas. Al jaren is ze op jacht geweest naar hem. Maar hij was haar altijd te slim af. Het is met de jaren zelfs zo gewor­den, dat ze dat ging waar­deren. Ze heeft hem zelfs een keer gered toen een kater hem te pakken had. Ze heeft toen al haar vrouwe­lijke charmes in de strijd gegooid. De kater vloog er in. Hij lichtte zijn poot op, waar Gijs ­onder gevan­gen zat, en ging achter haar aan. Ze zei dat ze het die kater niet gunde dat Gijs zo aan zijn eindje kwam.” “Maar weet ze nu ook waar hij is?” vroeg Josje. “Niet precies,” antwoordde Zonno. “Maar toen Gijs door de poes gered werd, heeft hij haar daarvoor bedankt.” “Ik word oud,” zei hij. “Ik heb mijn beste tijd gehad. Ik ga mijn laatste dagen in een rustige omgeving slijten. Ik zoek me een plekje in het park. Dan ben ik niet helemaal uit de buurt. En kan ik misschien nog eens bezoek verwach­ten van vrienden.” De poes en Gijs hebben toen afscheid genomen van elkaar. De poes zei eerlijk dat ze nu blij was dat ze hem nooit had kunnen vangen. Het laatste wat ze zei was: “Het is een toffe muis.” Toen werd het haar geloof ik, te machtig. Opeens liep ze weg, de slagerij in.” Tim en Josje hadden aandachtig geluisterd. Toen Zonno uit gespro­ken was, bleef het even stil. Tim was de eerste die de stilte verbrak. “Goh,” zei hij, “dat had ik nooit van een kat verwacht, dat die zo iets zou doen.” “Ik begrijp dat wel,” zei Josje. “Op de duur werd het voor hen gewoon een wed­strijd.

Ze hebben er allebei plezier aan be­leefd. Ze heeft toch ook gezegd: Hij was een toffe muis. Ze mocht Gijs Kaas wel.” “Maar ze zal ook wel geen honger gehad hebben,” zei Tim laconiek. “Dat is echt weer zo’n rot opmer­king van jou,” zei Josje boos. “Het is maar goed dat ik weet dat je niet alles meent, zoals je het zegt. Anders vloog ik je op staande voet in de haren.” “Ik zie je al vliegen,” zei Tim. “Je moet natuurlijk weer het laatste woord hebben,” zei Josje. “Laten we maar liever op­schieten en naar het park gaan. Hier komen we geen stap ver­der, “wat” Ondanks het mooie weer was de grootste drukte voorbij, toen ze in het park kwamen. Overdag waren er altijd veel moeders met baby’s in kinderwa­gens. Kleuters speelden in de grote zandbak. Veel banken werden bezet door bejaarde mensen, die van de bui­tenlucht en de zon kwamen genieten. Maar het liep nu tegen etenstijd. Dan werd het altijd stil in het park. Josje en Tim liepen een stil laantje in, en gingen op een bank zitten. Zonno kwam uit het tasje en ging tussen hen in zitten. “Nu is het jouw beurt,” zei Josje. “Wij kunnen hier­mee niet helpen.” “Ja, ja” zei Zonno. Hij krabde op zijn bolletje. “Ja, ja” zei hij nog eens. En floep, opeens was hij verdwe­nen. “Dat verplaatsen dat lukt hem wel,” zei Tim. “Maar voor de rest is het ook maar knudde met een rietje.” “En met dieren praten dan. En soms gedachten lezen en nog veel meer,” zei Josje. “Noem jij dat niks.” ” ’t Zal mij benieuwen hoe lang hij weg blijft,” sprak Tim er snel over ­heen. Hij had de woorden nog niet uit zijn mond, toen Zonno plotseling weer tussen hen in zat. “Valt niet tegen he,” zei Zonno, die Tim’s laatste woorden gehoord had. “Je bent zo gauw terug. Niks kunnen bereiken zeker,” zei Tim. “Ik ben zo gauw terug omdat ik wel wat bereikt heb,” zei Zonno. “Er zit een vogelnest in de boom die achter deze bank staat. Ik hoorde een vogel hoesten. Daar ben ik even een kijkje gaan nemen.” “Dat heeft Tim ook vast wel gehoord,” zei Josje pla­gend.” Tim kreeg een kleur. “Laat Zonno nou uit praten,” zei hij. “Jij zit er weer met je grote snater tussen.” “Het is een spreeuwen­nest,” ging Zonno onver­stoord verder. “Het wordt bewoond door een vrouwtje.

Ze is weduwe. Ze is niet zo jong meer.” “Dus het is een oud weeuwtje dat spreeuwtje,” grapte Tim. “Stil nou,” zei Josje. Maar ze moest wel even lachen. “Ik vroeg aan het wijfje of ze Gijs Kaas kende. Ze had wel eens van hem gehoord, maar ze had hem nooit ontmoet. Waar hij woont wist ze ook niet. Maar bij de vijver staat een grote rododen­dron. Daar tussen wonen veel muizen, vertelde ze. Dat komt omdat daar altijd genoeg te eten is. De kinderen voeren de eendjes die daar zwemmen. Maar er blijft ook altijd nog genoeg aan de kant liggen. Volgens haar is het heel goed mogelijk dat hij daar woont.” “Dan moeten we daar als de bliksem naar toe,” zei Tim. “Want ik barst van de honger. Ik wil zachtjes aan wel naar huis.” Zonno ging het tasje in. En ze liepen zo snel ze konden naar de vijver. Toen ze bij de vijver kwamen, was het niet moei­lijk de struik te vin­den. Hij was zo ontzettend groot, en zat vol met prach­tige rose bloemen. Josje nam Zonno uit het tasje en zette hem vlak voor de rododendron neer. “Doe je best Zon­no,” zei ze. “Ik hoop dat je deze keer succes hebt.” Zonno ging de struik in. Het was er een wirwar van bladeren en bloemen. Voor zo’n klein ding als Zonno, leek het er onmete­lijk groot. Hier kunnen zeker veel muizen wonen, dacht hij. Het was net een doolhof. Hij had er al een poosje in rond gelopen, maar hij was nog geen muis tegen gekomen. Ik begrijp er niets van, dacht hij. Volgens de spreeuw moeten hier toch veel muizen wonen. Misschien hebben de mensen hier wel vergif ge­strooid. Maar dat zette hij meteen weer uit zijn hoofd. Want dan moeten er hier dode muizen liggen, dacht hij. Hij zei in zich­zelf: “Wat ben ik blij dat ik me ver­plaatsen kan. Anders kom ik hier misschien nooit meer uit.” Opeens voelde hij iets kraken onder zijn rechtervoet. Hij lichtte zijn voet op, en zag dat hij op een grote zwarte tor getrapt had. Die was nijdig ook, merkte hij. “Kun je niet uit je doppen kij­ken,” zei de tor. “Je had me wel dood kunnen trappen.” Zonno ver­ontschuldigde zich, en maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de tor naar Gijs Kaas te vragen. De tor die blij was dat het zo goed met hem afgelopen was, wou Zonno nu wel terwille zijn.

Maar dit moest hij nog even kwijt. “Ik kan nu wel zien dat je geen mens bent,” zei hij. “Maar even dacht ik dat mijn laat­ste uurtje geslagen had. Je zult ook wel weten dat als een mens ons ziet, die meestal meteen de voet op ons zet. Dan zijn we hard­stikke dood. Ik hoorde mijn schild al kraken. Maar gelukkig heb je geen mensenvoeten. Je vroeg naar Gijs Kaas. Dan ben je hier niet verkeerd, want die woont hier. Ik zou je naar zijn hol kunnen brengen, maar ik denk dat hij niet thuis is. Want er is in de salon een hele belang­rijke vergade­ring. Alle muizen zijn daar naar toe.” “De salon,” zei Zonno. “Ja, de salon,” zei de tor. “Dat is een open stuk in de rodo­dendron. Je moet weten dat in deze struik een heel muizenvolk woont. Vergeleken met alle muizen die op de wereld wonen, is dit volkje niet zo groot. Maar juist omdat het een klein volkje is, moet het goed geregeerd worden om zich te kunnen handhaven. Het beste lijkt mij, dat ik je naar de salon breng. Gijs Kaas is daar ook. Dat weet ik zeker. De rest moet je zelf maar uitzoe­ken.” Zonno stemde daar mee in. De tor ging hem voor. Het langzame lopen van de tor, was voor Zonno een be­proeving. Maar hij wist dat hij geen andere keus had. Als de Ouwe wolk hem zou helpen, ja, dan was het zo voor elkaar. Maar daar was hij nu wel achter gekomen, dat het aller­eerst zijn eigen inzet moest zijn. Dus bleef hij maar rustig achter de tor aan lopen, al duurde het veel langer dan Zonno wilde.  De tor bracht Zonno netjes naar de salon. Zonno wist niet wat hij zag. De salon was een grote kale ruimte. Of hij gemaakt was door de muizen, of dat het door de natuur zo geworden was, dat kon hij niet zien. Maar het was een indruk­wekkend gezicht. In het midden was een verhoging gemaakt van mos en takjes. Bovenop was het mooi glad ge­maakt. Er zaten twaalf muizen op. Eén muis voorop, de andere elf muizen zaten achter hem. Zonno begreep eruit dat de voorste muis de leider was. De leider was aan het woord. Uit wat hij zei kon Zonno conclu­deren dat de vergadering zojuist begonnen was. “Struik­geno­ten,” zei hij. “Vele generatie’s al, hebben in deze struik gewoond. En zoals de geschiedenis luidt, naar volle tevreden­heid.

Daar hadden ze ook hun redenen voor. Geen muis is hier ooit iets te kort gekomen. Ook wij waren tot nu toe een tevreden volkje. Ik zeg tot nu toe. Want de laatste tijd heerst er onvrede onder ons. De reden daarvan is dat er steeds meer vreemde muizen hier naar toe komen om zich hier te vestigen. Dat is niet zo vreemd. Het is algemeen bekend in de muizen­wereld hoe goed wij het hier hebben. We hebben ondanks deze vreemdelingen, nog steeds genoeg te eten. Aan ruimte hebben we ook nog geen gebrek. Maar toch zijn er onder ons muizen die het er niet mee eens zijn dat mijn raadsmuizen en ik, deze vreemde­lingen toelaten. Ze zijn bang dat ze het er minder door krijgen. Die struik­genoten bezitten weinig muislievend­heid. Laten we toch genegen zijn, om onze welvaart met andere te delen. Komt er een tijd dat het hier overbe­volkt wordt, dan trekken er vanzelf weer familie’s naar een ander oord. Dat is in het verleden ook wel gebeurd. Geloof me. Als we een ander wat gunnen, dan zal het ons ook goed gaan.” Er steeg een stem­mend gepiep op. De grote muis keek tevreden in de rond­te. “Zo ken ik jullie weer,” zei hij. “Dan zullen we het hier voorlo­pig maar bij laten. Hij en de muizen die achter hem zaten, kwamen van de verhoging af. De ander muizen verspreid­den zich. Zonno sprak een muis aan, en vroeg hem naar Gijs Kaas. “Zie je dat groepje muizen die daar met elkaar staan te praten?” zei de muis. Hij draaide zijn kopje wat naar links. Zonno keek de richting uit, waar de muis met zijn kopje heen wees. “Je bedoelt die vier daar,” zei hij. “Krek,” zei de muis. “Die met dat grijze bekkie, dat is hem.” Zonno bedank­te, en liep snel op de vier muizen af. “Mag ik even storen?” vroeg hij. Hij keek naar degene die hem door de muis aangewe­zen was. “Bent U Gijs Kaas?” vroeg hij. “In eigen persoon,” ant­woordde deze. “Zou ik U dan even mogen spreken?” vroeg Zonno. Gijs knikte. “Loop maar met me mee,” zei hij. En tot de andere muizen; “Tot ziens jongens.” Toen ze een eindje van de andere muizen verwij­derd waren, stond hij stil. “Zeg het maar,” zei hij vrien­delijk. Zonno vertelde hem in het kort, wat de bedoe­ling was. Toen hij uitge­sproken was, zei Gijs: “Ik wil je wel helpen.

Ik denk niet dat het problemen ople­vert. Ik ben wel niet zo jong meer. Maar mijn neus doet het nog goed.” “Prach­tig,” zei Zonno. “Josje en Tim staan voor de struik. Die hebben het stukje kaas bij zich.” “Dan moeten we daar maar even gaan neuzen,” zei Gijs. “Loop maar achter me aan.” En liep toen zonder aarzelen door het doolhof van takken en blade­ren, naar de uitgang van de struik. Zonno keek eerst voor­zichtig tussen de takken van de struik door, of er geen mensen in de buurt waren. Toen hij zag dat de kust veilig was, stapte hij met Gijs naast zich naar buiten. Josje en Tim waren niet ver van de struik vandaan, op een bank gaan zit­ten. Zonno en Gijs liepen naar hen toe. “Ik zal wel voor tolk spelen,” zei Zonno. “Ik herhaal de woorden van Gijs, en van jullie. Dan is het net of je met elkaar praa­t.” “Gewel­dig,” zei Josje. “Begin maar meteen.” “Dus dit is dan Gijs Kaas,” stelde Zonno hem voor. “Hallo Gijs,” zei Josje, “fijn dat je er bent.” Gijs knikte vriende­lijk. “Laat de kaas maar eens zien,” zei hij. Josje pakte het stukje kaas wat in de bank gevonden was, uit haar tasje. Ze legde het op de bank. Ze pakte Gijs op, en zette hem bij de kaas. Gijs snuffelde er aan, stak toen zijn neus in de lucht. En bleef toen even stil staan. Deed zijn kopje weer naar beneden, en rook nog eens aan de kaas. “Bart,” zei hij, “Bart de Jong. Daar komt de kaas vandaan.” “Weet hij het zeker?” vroeg Tim aan Zonno. “Zo zeker als twee keer twee vier is” antwoordde Gijs, toen Zonno het hem vroeg. En Zonno vertaalde het weer. “Wij dach­ten dat het van een kraam van de markt kwam,” zei Josje. “Geen sprake van,” zei Gijs beslist. “Nou ja,” zei Josje een beetje teleurgesteld. “In ieder geval toch hard­stikke be­dankt.” “Graag gedaan,” zei Gijs. “Je mag het stukje kaas wel houden hoor,” zei Josje. Gijs begon er meteen aan te knabbe­len. Tim dacht er opeens aan dat het stukje kaas wat hij van Toos gekregen had, nog in zijn zak zat. “”Neem dit ook maar,” zei hij. En legde het bij Gijs neer. Gijs rook eraan. En proefde toen een stukje. “Bart de Jong,” zei hij. “Deze komt ook uit de winkel van Bart.” Josje en Tim keken elkaar verbaasd aan.

“Zei hij dat echt?” vroeg ze aan Zonno. Zonno bevestigde het. “Nou breekt mijn klomp,” zei Tim. “Het valt jullie tegen he?” zei Gijs. “Jammer. Maar ik kan er ook niks anders van maken.” Ze bedankten Gijs, die daarna snel de struik in liep. “Laten we maar gauw naar huis gaan, en eerst wat eten,” zei Tim.

“Daarna kunnen we de zaak opnieuw bekij­ken.” Toen ze thuis kwamen, was het inmiddels te laat gewor­den om te koken. Dus namen ze maar genoegen met een broodmaaltijd. Onder het eten werd er weinig gesproken. Ze waren alle drie nog onder de indruk over wat ze die middag van Gijs Kaas gehoord hadden. Pas toen ze de boel afgeruimd hadden, Josje en Tim aan de tafel zaten en Zonno zich in zijn kleine stoeltje geïnstal­leerd had, kwamen de tongen los. “Onze theorie valt als een kaarten­huis ineen,” zei Tim teleurge­steld. “Ik zou toch gezwo­ren hebben, dat het stukje kaas uit de bank van de vriend van Selma kwam.” “Het leek er inderdaad veel op,” zei Zonno. “Kan Gijs het niet mis heb­ben?” zei Josje. ” Gezien de reputatie die hij heeft, geloof ik dat niet.” “Ja, hij was wel zeker van zich­zelf,” gaf Josje toe. “Maar alles paste zo mooi in elkaar. En nu is de hele zaak veranderd, door zo’n klein stukje kaas.” “We zaten gewoon op een verkeerd spoor,” zei Zonno. “Dit moeten we gauw vergeten. Het is wel een te­leur­stelling. Maar laten we blij zijn dat Gijs ons uit de droom geholpen heeft.” Daar konden Josje en Tim niets tegen in bren­gen. “Het stukje kaas van Toos en het stukje uit de bank, komen uit dezelfde zaak,” zei Zonno. “Dat werpt nu een heel ander licht op alles. Toos en haar vriend. Dát zijn nu de verdachten. Dus ik had het toch niet mis dat er iets niet klopte in de verklaring die Toos gaf. Ze zei dat ze zo ge­schrokken was. En dat ze er helemaal van over haar toeren was. Maar alle anderen vertelden dat ze zich zo moedig ge­droeg. Ik begin er licht in te zien. Toos en haar vriend. Die zijn nu de hoofdverdachten.” Toen Zonno uitgespro­ken was, werd het even stil. “Maar er waren er toch nog drie  mannen bij betrokken,” zei Josje. “We dach­ten toch dat het de zoon’s van Janus en Mien waren.” “Stil zus,” zei Tim. “Jij wou toch naar de drie mannen van de bank toe.

Dat kon wel eens een goeie inval van je geweest zijn. Daar gaan we morgen op af. Ik heb zo’n gevoel dat we dan mis­schien de zaak rond krij­gen.” “Leve Gijs Kaas,” zei Zonno. “Die heeft ons wellicht op het juiste spoor gebracht. Ik stel voor dat we morgen eerst naar de winkel van Bart de Jong gaan en daarna de mannen van de bank bezoeken.” “Accoord,” zei Tim. Hij gaf een klap op de tafel. “Hiermede,” zei hij, “beschouw ik de vergadering voor beeïndigd. Weltrusten.”

Na het ontbijt zochten ze in het telefoonboek het adres van de kaaswinkel van Bart de Jong op, en gingen op pad. Toen ze voor de etalage van de winkel stonden, werd hun vermoe­den beves­tigd. Achter de toonbank stond niemand minder dan de vriend van Toos. “Dus dat is dat,” zei Tim. “Hier hoeven we niet verder op door te gaan. We moeten maar aan nemen dat we nu op het goede spoor zijn. We rijden naar de bank om de adressen van de mannen te halen. En dan gaan we er meteen op af.” De bankbediende waar ze de adres­sen aan vroegen her­kende hen. “Jullie maken wel veel werk van dat stuk in de school­krant.” zei hij. “Maar ik mag dat wel zien. Niet maar zo wat in elkaar flansen. Al is het een schoolkrant. Het is journa­listiek. Je moet de lezers altijd de beste informa­tie’s geven. En dat is jullie wel toevertrouwd zie ik.” Hij schreef de adressen voor hen op, en wenstte hen succes. Het was lunch­tijd toen ze bij het eerste adres aanbelden. “Misschien komen we wel ongele­gen,” zei Josje. “Niks mee te maken,” zei Tim. “We gaan gewoon door. We doen net of onze neus bloedt.” “Wat bete­kent dat nu weer,” zie Josje. “Je hebt nog veel te leren zus,” zei Tim. “Dat betekent gewoon doen alsof je nergens geen erg om hebt.” “Bedankt broer,” zei Josje. “Daar ben ik veel wijzer van gewor­den. Maar bel nu maar aan.” Het was een jonge vrouw die de deur opende. “En,” zei ze. “We moeten een stukje schrijven voor de schoolkrant,” zei Tim. “We hebben gekozen om te schrijven over de bankoverval. En omdat Uw man werkzaam is op de bank, zouden we hem graag even spre­ken.” “Daar kan mijn man je niets over vertel­len,” zei de vrouw. “Want het is ge­beurd in de middagpau­ze. Dan is hij altijd thuis.”

“Mogen we toch even een paar dingen aan uw man vragen?” vroeg Tim. “Ik denk dat jullie daar weinig mee opschieten,” zei ze. “Maar ik wil jullie niet teleurstellen. Dus kom maar even binnen. Jullie komen wel wat ongelegen. Want mijn man zit te klaver­jassen. Maar goed. Het is maar een spel. En voor jullie is het natuurlijk belang­rijk. Ik begrijp dat wel. Al weet ik van te voren dat het op een teleur­stelling uit loopt. Want mijn man zal jullie niet verder kunnen helpen.” Ze liepen achter de vrouw aan, de gang door naar de kamer. Er zaten vier mannen te kaarten. Er waren ook twee toeschouwers die naar het kaartspel van de mannen zaten te kijken. En dat waren Toos en haar vriend. Josje en Tim keken elkaar veelbe­te­kenend aan. “Ik kom jullie even storen,” zei de vrouw. De mannen keken op van hun spel. De vrouw vertelde waarom Tim en Josje haar man wilden spre­ken. De man zei: “Dat je ons stoort is niet zo erg. Ik vind het veel erger dat ik jullie niet kan helpen. Mijn col­lega’s en ik zitten hier vrijwel iedere dag in de middag­pauze te kaarten. Ook die middag dat de bank overval­len is.” Hij wees naar Toos. ” Zij is ook een collega van ons,” zei hij. “En de man naast haar is haar vriend. Die is ook vaak hier. Hij werkt in een winkel. En heeft ’s mid­dags twee uur pauze. Dan komt hij meestal met Toos hierheen. Want hij legt ook graag een kaart­je. Als er een potje uit is, wisselen we om beurt. Dan doen we allemaal een keer mee. We hebben het heel gezellig met elkaar. Maar het feit waar jullie voor komen, daar kan alleen Toos iets over vertellen. Wij zaten die middag te kaarten.” “Het is jammer” zei Tim. “We dach­ten dat jullie misschien in de weken voor de overval, iets vreemds opgemerkt hadden.” “Ik heb al ge­zegd,” zei de man, “we kunnen jullie hierbij niet helpen. Dat houdt tevens in; dat we ook voor de overval hele­maal geen verdachte dingen hebben gezien.” “Jammer,” zei Tim weer. “Maar aan Toos hoeven we niets meer te vragen. Die heeft alles verteld wat ze wist.” Toos knikte. “Kaarten jullie altijd hier?” vroeg Josje. “Of doen jullie dat ook wel eens bij de anderen thuis?” “Nee, dat doen we altijd hier,” zei de man. “Zij zijn alle­maal vrijgezel.

Ik heb een gezin. Mijn vrouw heeft dit lie­ver. Ze vindt het gezelliger als ik tussen de middag thuis ben.” “Dan gaan we nu maar,” zei Tim. “Ondanks alles, toch hardstik­ke be­dankt. Sorry voor de storing. Kaart ze.” Josje en Tim schudden alle aanwezi­gen de hand. En na nog eens bedankt te hebben liet de vrouw hen uit. Toen ze buiten waren zei Tim: “We gaan meteen naar huis, Jos. We moeten alles nog eens goed door spreken. Ik ben ook erg benieuwd naar de mening van Zonno.” Hij wachtte het antwoord van Josje niet af, startte de brommer, en reed naar huis.

A. Goedegebuur - Klarenbeek 1919 - ✞30-08-2001
A. Goedegebuur – Klarenbeek 1919 – ✞30-08-2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wij gebruiken eigenlijk geen koekjes van je, maar mocht een toepassing die wij gebruiken dat toch doen, dan zullen wij het niet gebruiken of opslaan.